ECLI:NL:RBROT:2001:AD5434

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 juni 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
BESLU 99/331-SIMO
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Rechters
  • Th.G.M. Simons
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 1:5 AwbArt. 6 ErfPachtvoorwaardenArt. 8:54 AwbArt. 8:71 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd in geschil over boete erfpachtvoorwaarden gemeente Schiedam

Eiseres, De Meij Holding B.V., kreeg van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schiedam een boete opgelegd van f 15.504,- op grond van de erfpachtovereenkomst. Tegen deze boetebeslissing werd beroep ingesteld bij de raad van de gemeente Schiedam, die het beroep ongegrond verklaarde. Eiseres stelde vervolgens beroep in bij de rechtbank.

De rechtbank oordeelde dat de beslissing van de raad geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is. Het beroep op grond van de erfpachtvoorwaarden betreft een contractuele bevoegdheid en geen bestuursrechtelijke voorziening. Hierdoor is de beslissing een privaatrechtelijke rechtshandeling en geen bestuursrechtelijk besluit.

Daarom verklaarde de rechtbank zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep. De rechtbank wees erop dat uitsluitend de burgerlijke rechter bevoegd is om hierover te oordelen. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

De uitspraak werd gedaan door mr.drs. Th.G.M. Simons op 1 juni 2001 en in het openbaar uitgesproken. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot verzet binnen zes weken na verzending van het afschrift.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep tegen de boetebeslissing op grond van erfpachtvoorwaarden.

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM
Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken
Reg.nr.: BESLU 991331-SIMO
Uitspraak
als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen
De Meij Holding B.V., gevestigd te Schiedam, eiseres, gemachtigde mr. L de Kok, advocaat te Den Haag,
en
de raad van de gemeente Schiedam, verweerder.
1. Overwegingen
Op grond van artikel 6, tweede lid, van de op de erfpachtovereenkomst tussen eiseres en de gemeente Schiedam toepasselijke erfpachtvoorwaarden heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schiedam (hierna: B&W bij beslissing van 6 augustus 1998 aan eiseres een boete opgelegd van f 15.504,-.
Verweerder heeft bij beslissing van 14 december 1998, verzonden op 11 januari 1999, het op 26 augustus 1998 door eiseres op grond van artikel 6, vierde lid, van de erfpachtvoorwaarden tegen de beslissing van B&W bij hem ingestelde beroep ongegrond verklaard.
De gemachtigde van eiseres heeft bij brief van 16 februari 1999 beroep bij de rechtbank ingesteld tegen de beslissing van verweerder.
Met partijen is de rechtbank van oordeel dat de beslissing van verweerder geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is. Het betreft hier niet een beslissing genomen op een administratief beroep als bedoeld in artikel 1:5, tweede lid, van de Awb. Het instellen van beroep op grond van artikel 6, vierde Ed, van de erfpachtvoorwaarden is immers niet het gebruik maken van de ingevolge een wettelijk voorschrift bestaande bevoegdheid voorziening te vragen tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, maar het gebruik maken van een contractuele bevoegdheid voorziening te vragen tegen een privaatrechtelijke rechtshandeling. De beslissing op een dergelijk beroep is eveneens een privaatrechtelijke rechtshandeling.
Het beroep bij de rechtbank is derhalve niet gericht tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De rechtbank is daarom kennelijk onbevoegd, zodat voortzetting van het onderzoek niet nodig is.
Overeenkomstig artikel 8-71, eerste volzin, van de Awb vermeldt de rechtbank dat terzake uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.
Gelet op het voorgaande wordt als volgt beslist.
2. Beslissing
De rechtbank, recht doende: verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. Th.G.M. Simons. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Vermaat als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2001.
De griffier: De rechter:
Afschrift verzonden op: 6 juni 2001
Een belanghebbende - waaronder in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak verzet doen bij de rechtbank door binnen een termijn van zes weken een gemotiveerd verzetschrift in te dienen. Deze termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.