ECLI:NL:RBROT:2001:AD8009
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering aanwijzing inzamelaar olierestanten in haven Rotterdam bevestigd
Eiseres verzocht om een aanwijzing als persoon bevoegd tot het in ontvangst nemen van schadelijke stoffen van schepen in de haven van Rotterdam. De gemeente Rotterdam weigerde deze aanwijzing en verklaarde het bezwaar ongegrond. Eiseres stelde dat de capaciteit onvoldoende was en dat het criterium van evenredigheid in de Havenverordening strijdig was met hogere regelgeving.
De rechtbank oordeelde dat de gemeente terecht heeft vastgesteld dat er voldoende capaciteit is om onnodig oponthoud te voorkomen, mede op basis van rapportages van het Havenbedrijf en het ontbreken van klachten van kapiteins van schepen onder het lozingsverbod. De rechtbank stelde dat de bepaling van de Havenverordening niet onverbindend is en niet in strijd is met de Wet voorkoming verontreiniging door schepen (Wvvs) en het Besluit voorkoming olieverontreiniging door schepen (Bvos).
Verder overwoog de rechtbank dat de gemeente redelijk mocht uitgaan van het verbod om bunkerschepen gelijktijdig brandstof en afvalstoffen te laten vervoeren, waardoor mobiele inzamelvoorzieningen niet noodzakelijk zijn. Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de aanwijzing als inzamelaar van olierestanten in de haven van Rotterdam wordt ongegrond verklaard.