ECLI:NL:RBROT:2002:AE7306
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen gebiedsontzeggingen aan drugsgebruikers in Delfshaven
In deze bestuursrechtelijke zaak gaat het om gebiedsontzeggingen van zes maanden die de burgemeester van Rotterdam oplegde aan 52 drugsgebruikers in de deelgemeente Delfshaven op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet. De verzoekers maakten bezwaar tegen deze besluiten en vroegen om een voorlopige voorziening om de besluiten te schorsen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekster 1, een stichting die de belangen van drugsgebruikers behartigt, belanghebbende is omdat haar werkzaamheden door de besluiten worden belemmerd en de maatregelen een generiek karakter hebben. De rechter constateert dat de burgemeester bevoegd was de maatregelen te nemen vanwege verstoring van de openbare orde en ernstige vrees daarvoor.
Wel oordeelt de voorzieningenrechter dat de besluiten disproportioneel zijn omdat minder ingrijpende maatregelen niet voldoende zijn onderzocht en verzoekers niet vooraf zijn gewaarschuwd. Ook is de motivering van de besluiten onvoldoende, onder meer doordat niet is toegelicht wanneer en waar de ordeverstoringen plaatsvonden en waarom de duur van zes maanden is gekozen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening voor één verzoeker af wegens intrekking en schorst de overige besluiten met ingang van vier weken na bekendmaking. Tevens veroordeelt hij de gemeente Rotterdam tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De voorzieningenrechter schorst de gebiedsontzeggingen van zes maanden met ingang van vier weken na bekendmaking wegens disproportionaliteit en gebrekkige motivering.