ECLI:NL:RBROT:2002:AF2580
Rechtbank Rotterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Beslissing Raadkamer over voortduring voorlopige hechtenis op basis van AIVD-ambtsbericht en terrorismeverdachten
De Raadkamer heeft op 31 december 2002 de voortduring van de voorlopige hechtenis van verdachte beoordeeld aan de hand van een ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) van 27 augustus 2002. Dit ambtsbericht bevatte een uitvoerige beschrijving van personen die zich in georganiseerd verband bezighouden met terroristische activiteiten of de voorbereiding daarvan. De Raadkamer achtte dit rapport, dat niet op een incidentele tip berustte en was getoetst door de landelijke Officier van Justitie belast met terrorismebestrijding, voldoende voor het bestaan van een verdenking in de zin van artikel 27 Sv Pro.
De raadsman van verdachte voerde aan dat het ambtsbericht onvoldoende was om de verdenking te dragen, omdat het niet was aangevuld met zelfstandig strafrechtelijk opsporingsonderzoek. Hij verwees naar vrijspraken in een vergelijkbare zaak ('Eik'). De Raadkamer stelde echter dat het vervolgonderzoek door het KLPD na het ambtsbericht ook tot verdere verdenking had geleid en dat de voorlopige hechtenis daarom gerechtvaardigd bleef.
De Raadkamer benadrukte dat de AIVD geen opsporingsdienst is, maar een inlichtingeninstantie die staatsveiligheid bewaakt. De door de AIVD verstrekte inlichtingen worden via ambtsberichten aan de landelijke Officier van Justitie overgedragen, die deze toets op rechtmatigheid uitvoert voordat ze aan strafrechtelijk onderzoek worden toegevoegd. De Raadkamer wees op de recente verruiming van het verdenkingscriterium en de wettelijke regeling van bijzondere opsporingsmethoden in de Wet BOB, die ook in de pro-actieve fase kunnen worden toegepast zonder dat een specifieke verdachte wordt aangewezen.
Gezien deze omstandigheden wees de Raadkamer het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis af, omdat voldoende ernstige bezwaren tegen verdachte bestonden. De beslissing werd beperkt tot de vraag of voldoende verdenking en ernstige bezwaren aanwezig waren, zonder inhoudelijke beoordeling van andere aspecten.
Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis wordt afgewezen wegens voldoende verdenking en ernstige bezwaren.