ECLI:NL:RBROT:2002:AF2581
Rechtbank Rotterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduring voorlopige hechtenis op basis van AIVD-ambtsbericht en rechtmatigheid dwangmiddelen
Verdachte is aangehouden op basis van een ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) waarin personen worden genoemd die zich in georganiseerd verband met terroristische activiteiten zouden bezighouden. Dit ambtsbericht is anoniem maar is door de landelijke Officier van Justitie, belast met terrorismebestrijding, getoetst. De Raadkamer acht dit voldoende om te spreken van voldoende verdenking in de zin van artikel 27 Sv Pro.
De raadsvrouwe van verdachte betoogde dat het ambtsbericht zonder aanvullend strafrechtelijk onderzoek onvoldoende is voor het opleggen van dwangmiddelen zoals aanhouding en doorzoeking, en dat het daarop gebaseerde bewijs onrechtmatig is verkregen. Zij verwees naar vrijspraken in een andere zaak ('Eik'). De Raadkamer merkt op dat de AIVD geen opsporingsdienst is maar een inlichtingeninstantie en dat de toetsing door de landelijke Officier van Justitie heeft plaatsgevonden voordat het ambtsbericht werd gebruikt in het strafrechtelijk onderzoek.
Verder wijst de Raadkamer op de recente ontwikkelingen in wetgeving en rechtspraak, waaronder de Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden, die een verruiming van het verdenkingscriterium mogelijk maken bij georganiseerde criminaliteit. De Raadkamer concludeert dat de voorlopige hechtenis gerechtvaardigd is en dat het verzoek tot opheffing moet worden afgewezen.
Ten slotte wordt opgemerkt dat verdachte geen beroep kan doen op een vermeende onrechtmatigheid jegens een medeverdachte, omdat het geschonden belang niet rechtstreeks op hem ziet.
Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis wordt afgewezen wegens voldoende verdenking en ernstige bezwaren.