ECLI:NL:RBROT:2002:AR5210

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 februari 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00/1848-SIM en 00/1849 SIM
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toetsing van vergunningverlening voor concentratie tussen Schuitema en A&P Holding B.V. onder de Mededingingswet

Op 25 februari 2000 diende Schuitema en A&P Holding B.V. een aanvraag in voor een vergunning voor een concentratie, waarbij Schuitema zeggenschap over A&P zou verkrijgen. De vergunning werd op 24 juli 2000 verleend door de Nederlandse mededingingsautoriteit. Tegen dit besluit hebben de gemachtigden van de eiseressen, Schuitema en Koninklijke Ahold N.V., beroep ingesteld. De rechtbank heeft de zaken ter behandeling gevoegd en het onderzoek ter zitting vond plaats op 16 januari 2002, waarbij partijen niet verschenen.

De rechtbank overwoog dat volgens artikel 41 van de Mededingingswet een vergunning vereist is voor het tot stand brengen van een concentratie. De mededingingsautoriteit had in het bestreden besluit de vergunning verleend, maar de eiseressen betwistten het uitgangspunt dat Schuitema en Ahold als één geheel moesten worden beschouwd. Dit uitgangspunt zou negatieve gevolgen hebben voor hun concurrentiepositie en toekomstige acquisities.

De rechtbank concludeerde dat de eiseressen geen (proces)belang hadden bij hun beroepen, aangezien Schuitema de vergunning had gekregen die was aangevraagd. Het door eiseressen gewraakte uitgangspunt vormde geen zelfstandig onderdeel van het bestreden besluit en de rechtsbescherming was niet bedoeld voor een principiële uitspraak. De beroepen werden niet-ontvankelijk verklaard, en er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De uitspraak werd openbaar gedaan op 25 februari 2002, en belanghebbenden konden binnen zes weken hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Uitspraak

RECHTBANK TE ROTTERDAM
Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken
Reg.nrs.: MEDED 00/1848-SIMO
MEDED 00/1849-SIMO
Uitspraak
in de gedingen tussen
1. (reg.nr. MEDED 00/1848-SIMO) Schuitema N.V., gevestigd te Amersfoort, eiseres (hierna: Schuitema),
gemachtigden mr. T.R. Ottervanger en mr. A.S. Bijleveld, beiden advocaat te Amsterdam;
2. (reg.nr. 00/1849-SIMO) Koninklijke Ahold N.V., gevestigd te Zaandam, eiseres (hierna: Ahold),
gemachtigde mr. M.B.W. Biesheuvel, advocaat te Den Haag,
en
de directeur-generaal van de Nederlandse mededingingsautoriteit, verweerder,
gemachtigde mr. E.J. Daalder, advocaat te Den Haag.
1. Ontstaan en loop van de procedures
Op 25 februari 2000 heeft verweerder ontvangen een aanvraag van Schuitema en A&P Holding B.V. (hierna: A&P) om een vergunning voor het tot stand brengen van een concentratie in de vorm van verkrijging door Schuitema van zeggenschap over A&P.
Bij besluit van 24 juli 2000 heeft verweerder de vergunning verleend.
Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) hebben de gemachtigden van eiseressen bij afzonderlijke brieven van 1 september 2000, aangevuld bij brieven van respectievelijk 5 en 26 oktober 2000, beroep ingesteld.
Verweerder heeft bij afzonderlijke brieven van 2 augustus 2001 verweerschriften ingediend.
Verweerder heeft bij het indienen van de op de zaken betrekking hebbende stukken ten aanzien van (gedeelten van) een aantal stukken op grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) medegedeeld dat uitsluitend de rechtbank daarvan kennis zal mogen nemen. De rechtbank heeft een rechter-commissaris benoemd en deze opgedragen terzake een beslissing te nemen. Bij beslissing van 8 januari 2002 heeft de rechter-commissaris beperking van de kennisneming gedeeltelijk gerechtvaardigd geacht. Verweerder heeft de stukken ten aanzien waarvan de rechter-commissaris beperking van de kennisneming niet gerechtvaardigd heeft geacht, alsnog ingezonden. Ahold heeft, anders dan Schuitema, geen toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb verleend, zodat de rechtbank niet mede op de grondslag van de stukken ten aanzien waarvan de rechter-commissaris beperking van de kennisneming gerechtvaardigd heeft geacht, uitspraak kan doen.
De rechtbank heeft de zaken ter behandeling gevoegd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2002. Partijen zijn, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen.
2. Overwegingen
Ingevolge artikel 41, eerste lid, van de Mededingingswet (hierna: Mw) is het verboden zonder vergunning een concentratie tot stand te brengen waarop een mededeling op grond van artikel 37, eerste lid, van de Mw dat een vergunning is vereist, betrekking heeft.
Op grond van artikel 41, tweede lid, van de Mw wordt een vergunning geweigerd, indien als gevolg van de voorgenomen concentratie een economische machtspositie zal ontstaan of worden versterkt die tot gevolg heeft dat een daadwerkelijke mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan op significante wijze wordt belemmerd.
Verweerder heeft bij het bestreden besluit de door Schuitema en A&P aangevraagde vergunning verleend.
Bij de beoordeling van de voorgenomen concentratie heeft verweerder als uitgangspunt genomen (vgl. randnummer 40 van het bestreden besluit) dat Schuitema en haar grootaandeelhouder Ahold als “één geheel” moeten worden beschouwd, met als gevolg dat de marktaandelen van Ahold (in het bijzonder het marktaandeel van de Albert Heijn-supermarkten) en Schuitema (èn de betrokken zelfstandige A&P-winkeliers) bij elkaar moeten worden opgeteld.
Eiseressen zijn het op zichzelf eens met het bestreden besluit. Eiseressen hebben echter aangevoerd dat het hierboven weergegeven, en door hen betwiste, door verweerder gehanteerde uitgangspunt voor hen verstrekkende – negatieve – gevolgen heeft. Schuitema heeft in dat verband gesteld dat voorgenomen acquisities en fusies van haar onder druk komen te staan, waardoor zij wordt belemmerd in haar verdere ontwikkeling. Voorts wordt de relatie van Schuitema met de bij haar aangesloten zelfstandige winkeliers negatief beïnvloed. Ook zullen door de consument de winkelformules van Schuitema worden geassocieerd met de Albert Heijn-supermarkten, hetgeen schadelijk is voor de concurrentiepositie van die winkelformules. Ahold heeft gesteld dat het door verweerder gehanteerde uitgangspunt tot gevolg heeft dat concentraties door Ahold of Schuitema alleen nog in de vergunningfase zullen kunnen worden goedgekeurd, terwijl anders met de meldingsfase zou kunnen worden volstaan. Daardoor is een strenger mededingingsrechtelijke regime van toepassing. Bovendien zal Ahold, dat eveneens met (zelfstandige) winkeliers distributieovereenkomsten sluit, niet (langer) kunnen profiteren van de zogenoemde generieke vrijstelling, meer in het bijzonder niet van het regime bij een marktaandeel van minder dan 30% zoals vervat in de nieuwe EG-groepsvrijstelling voor verticale overeenkomsten. Eiseressen hebben daarom gevorderd het besteden besluit voorzover betrekking hebbend op het gewraakte uitgangspunt (gedeeltelijk) te vernietigen.
De rechtbank stelt, met verweerder, vast dat eiseressen geen (proces)belang hebben bij hun beroepen.
Er is geen sprake van een geschil over een besluit van een bestuursorgaan. Schuitema (en daarmee ook haar grootaandeelhouder Ahold) heeft bij het bestreden besluit immers gekregen waarom is gevraagd, namelijk een vergunning voor het tot stand brengen van de voorgenomen concentratie. Het onderhavige uitgangspunt vormt bovendien geen zelfstandig op rechtsgevolg gericht onderdeel van het bestreden besluit. De rechtsbescherming ingevolge de Awb is, volgens vaste jurisprudentie, ook niet bedoeld uitsluitend ter verkrijging van een principiële uitspraak als door eiseressen voorgestaan.
Het voorgaande zou anders kunnen zijn onder meer indien het zou gaan om een uitgangspunt waarvan moet worden vastgesteld dat het aan de indieners van de beroepschriften in de toekomst als in rechte bindend zou kunnen worden tegengeworpen. Dat is hier echter niet het geval. Indien in de toekomst hantering van het door eiseressen gewraakte uitgangspunt ertoe zou leiden dat een vergunning wordt geweigerd of – met toepassing van artikel 41, vierde lid, van de Mw – onder beperkingen en/of voorschriften wordt verleend, kan de rechtmatigheid van dat uitgangspunt in beroep zonder meer volledig worden beoordeeld.
De beroepen dienen derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.
Gelet op het voorgaande wordt als volgt beslist.
3. Beslissing
De rechtbank,
recht doende:
verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. J.C. Gerritse en mr. M.J.L. Lamers-Wilbers als leden.
De beslissing is, in tegenwoordigheid van drs. M.C. Dubbeldam als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2002.
De griffier: De voorzitter:
Afschrift verzonden op:
Een belanghebbende – waaronder in elk geval eiseressen worden begrepen – en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.