ECLI:NL:RBROT:2003:AI0302
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Flint-van Noort
- Verbeek
- Heevel
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak verdachte wegens onvoldoende bewijs invoer hasjiesj ondanks rechtmatige opsporing
Aan verdachte werd ten laste gelegd de gewone invoer van een hoeveelheid hasjiesj en/of de invoer als bedoeld in artikel 1 lid 4 van Pro de Opiumwet. De rechtbank oordeelde dat de tenlastelegging innerlijk tegenstrijdig was vanwege het gebruik van 'en/of' en verklaarde deze partieel nietig. De rechtbank interpreteerde dat primair gewone invoer werd ten laste gelegd en subsidiair invoer volgens artikel 1 lid 4 Opiumwet Pro.
De verdediging voerde aan dat het onderzoek tegen medeverdachte onrechtmatig was gestart en dat het bewijs onrechtmatig verkregen was. De rechtbank oordeelde echter dat op basis van rapporten en verklaringen voldoende feiten en omstandigheden bestonden om het onderzoek en de inzet van dwangmiddelen te rechtvaardigen. Ook werd het voortdurende gebruik van opsporingsbevoegdheden gerechtvaardigd geacht.
Uiteindelijk werd geoordeeld dat het primair en subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kon worden. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van de tenlastelegging. De dagvaarding werd partieel nietig verklaard vanwege de innerlijke tegenstrijdigheid in de tenlastelegging.
Uitkomst: Verdachte werd vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs ondanks rechtmatige opsporing.