ECLI:NL:RBROT:2003:AI5635

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 juni 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
182910/FT-EA
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.P.G. Poell
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 lid 1 onder e Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw bij risicovolle beleggingen

Verzoekers hebben in 1997 en 1999 geld geleend om te investeren in een bedrijf in Turkije dat later failliet ging. Ondanks inkomen uit arbeid hebben zij nooit op de leningen afgelost en hebben zij een betalingsregeling van een schuldeiser geweigerd.

De rechtbank oordeelt dat verzoekers zich willens en wetens blootstelden aan het risico van verlies door risicovolle beleggingen zonder hun posities af te dekken. Het niet aflossen terwijl financiële middelen aanwezig waren en het afwijzen van een minnelijke regeling maken aannemelijk dat zij niet te goeder trouw waren bij het ontstaan van de schulden.

Van feiten die toelating tot de schuldsaneringsregeling rechtvaardigen ondanks het ontbreken van goede trouw is niet gebleken. Daarom wijst de rechtbank het verzoek af.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens het ontbreken van goede trouw.

Uitspraak

rekestnummer: 182910/FT-EA 02.1015-1016
nummer verklaring: ROT0210208236/ROT0210208554
uitspraakdatum: 4 juni 2003
RECHTBANK ROTTERDAM,
ENKELVOUDIGE KAMER
[E], en
[P],
beiden wonende te Zuiderhagen 53,
3078 BT Rotterdam,
verzoekers,
hebben op 9 september 2002 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Ter terechtzitting van 7 mei 2003 hebben verzoekers het volgende verklaard:
- Verzoekers hebben in 1997 geld geleend bij de Rabobank teneinde dit geld te investeren in een bedrijf in Turkije. Volgens verzoekers ging het om een betrouwbaar bedrijf, zij konden op ieder moment hun geïnvesteerde geld terugkrijgen. De winst die zij toentertijd maakten kon oplopen tot zo’n 20%. Dit geld investeerden zij vervolgens wederom in het bedrijf.
- In 1999 hebben verzoekers nogmaals geld geleend bij De Perelaer. Dit geld hebben zij eveneens aangewend voor investering in bovengenoemd bedrijf.
- Enkele jaren later, toen de economische situatie in Turkije aanzienlijk was verslechterd, is het bedrijf failliet gegaan, en zijn verzoekers het door hen geïnvesteerde geld kwijtgeraakt.
- Hoewel verzoekers gedurende de jaren dat zij met het geleende geld in het bedrijf investeerden, inkomen uit arbeid genoten, hebben zij nooit op de leningen afgelost.
- Verzoekers hebben een door de Rabobank aangeboden betalingsregeling geweigerd. Deze betalingsregeling hield in dat indien verzoekers een bedrag van € 5.000,- ineens zouden betalen, het resterende bedrag buiten invordering gesteld zou worden, op voorwaarde dat verzoekers ieder jaar rekening en verantwoording af zou leggen aan de Rabobank.
- Uit de verklaring ex artikel 285, lid 1 onder e van de Faillissementswet blijkt dat verzoekers een totale schuldenlast hebben van € 60.894,60, waarvan € 32.626,55 aan de Rabobank en € 28.268,05 aan De Perelaer.
De rechtbank komt gelet op het bovenstaande tot het volgende oordeel.
Verzoekers hebben, door met geleend geld risicovol te beleggen en vervolgens na te laten om hun ingenomen posities af te dekken, zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat zij al het geïnvesteerde geld zouden kwijtraken. De rechtbank heeft hierbij mede acht geslagen op de omstandigheid dat verzoekers nooit op de leningen hebben afgelost, terwijl zij hier wel de financiële middelen toe hadden. Tevens heeft de rechtbank acht geslagen op de omstandigheid dat verzoekers een aanbod tot een minnelijke regeling van één van de twee schuldeisers hebben afgeslagen. Gelet op het voorgaande is het aannemelijk geworden dat verzoekers bij het ontstaan van hun schulden niet te goeder trouw zijn geweest.
De rechtbank beoordeelt het ontbreken van de goede trouw als zodanig ernstig dat dit thans aan toewijzing van het verzoek in de weg staat.
Van feiten of omstandigheden die, in weerwil van het geconstateerde ontbreken van de goede trouw, de toelating van verzoekers tot de schuldsaneringsregeling rechtvaardigen, is niet gebleken.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling dient derhalve te worden afgewezen.
BESLISSING
De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Gewezen door mr. J.P.G. Poell, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juni 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.