ECLI:NL:RBROT:2004:AO3175
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- E.F.C. Francken
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over beëindiging verstrekking scootermobiel na toekenning elektrische rolstoel
Eiseres had eerder een scootermobiel verstrekt gekregen en later een elektrische rolstoel voor binnen- en buitengebruik. Verweerder besloot de scootermobielverstrekking te beëindigen, omdat de elektrische rolstoel naar zijn oordeel de noodzakelijke voorziening vormt. Eiseres maakte bezwaar en stelde dat zij naast de rolstoel ook recht had op de scootermobiel vanwege praktische redenen.
De rechtbank constateert dat het besluit tot verstrekking van de elektrische rolstoel formele rechtskracht heeft gekregen omdat daartegen geen bezwaar is gemaakt. Het beleid van verweerder staat niet toe dat een scootermobiel en een elektrische rolstoel gelijktijdig worden verstrekt, tenzij dit de goedkoopst adequate oplossing is, wat hier niet het geval is.
De rechtbank oordeelt dat de elektrische rolstoel een verantwoorde voorziening is die eiseres in staat stelt deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer. Het gebruik van de scootermobiel als extra voorziening is niet noodzakelijk en het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Verweerder heeft bovendien een uitzondering gemaakt door de scootermobiel als overgangsmaatregel voort te zetten en de reparatiekosten nog eenmaal te dragen.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en handhaaft het besluit tot beëindiging van de scootermobielverstrekking. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het beëindigen van de scootermobielverstrekking wordt ongegrond verklaard.