ECLI:NL:RBROT:2004:AP1666
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake last onder dwangsom op grond van Telecommunicatiewet
De zaak betreft een verzoek om voorlopige voorziening tegen twee besluiten van de Minister van Economische Zaken, waarin aan verzoekers een last onder dwangsom is opgelegd om mondelinge inlichtingen te verstrekken op grond van artikel 18.7 van de Telecommunicatiewet (Tw). De last hield een dwangsom van € 5.000 in bij niet-naleving.
Verzoekers stelden onder meer dat de besluiten onrechtmatig waren omdat zij niet correct waren geadresseerd, verzoekster 3 niet als belanghebbende kon worden aangemerkt, en dat de bevoegdheid van de ambtenaar die de besluiten nam niet was aangetoond. Tevens voerden zij aan dat de inlichtingenplicht beperkt moest worden uitgelegd tot direct betrokkenen en dat de last disproportioneel was.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekers 1 en 2 wel degelijk geadresseerden waren, verzoekster 3 geen belanghebbende was en haar verzoeken daarom niet-ontvankelijk. De bevoegdheid van de ambtenaar was niet met zekerheid vastgesteld, maar dit vormde geen grond voor voorlopige voorziening. De uitleg van "een ieder" in artikel 18.7 Tw is ruim en omvat ook verzoekers 1 en 2. De last was proportioneel en noodzakelijk voor het onderzoek. Het verzoek tot voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
De uitspraak werd gedaan door mr. H.P.M. Meskers als voorzieningenrechter op 27 april 2004.
Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen de last onder dwangsom wordt afgewezen.