ECLI:NL:RBROT:2004:AP9857
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Rechtmatigheid van verlenging vergunningen commerciële radio-omroepen tot 1 september 2002
De zaak betreft het beroep tegen besluiten van de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat (later Economische Zaken) tot verlenging van vergunningen voor commerciële radio-omroepen tot 1 september 2002. De vergunningen werden verlengd in afwachting van een integrale herverdeling van het frequentiespectrum, het zogenaamde zero base-onderzoek.
Eiseressen, waaronder Young City, Sun FM, Arrow en lokale omroepen, stelden dat de verlenging te kort was, dat er onrechtmatig tijd werd gerekt, dat belangen van nieuwkomers onvoldoende werden meegewogen en dat een nieuw voorschrift aan de vergunningen onredelijk was. Verweerder verdedigde de besluiten met het belang van een algehele en transparante herverdeling en het voorkomen van stiltes in de ether.
De rechtbank overwoog dat artikel 9 van Pro het Frequentiebesluit terecht aan de besluiten ten grondslag lag en dat de verlenging van één jaar gerechtvaardigd was gezien het maatschappelijk, cultureel en economisch belang. De belangenafweging was zorgvuldig en hield rekening met nieuwkomers. Het nieuwe voorschrift was gegrond op het doelmatig gebruik van frequentieruimte en schending van het vertrouwensbeginsel was niet aannemelijk.
De rechtbank concludeerde dat er ten tijde van de besluiten een reëel uitzicht bestond op implementatie van de nieuwe verdeling binnen een redelijke termijn en dat er geen sprake was van onrechtmatig tijdrekken. Ook werd geoordeeld dat de hoorplicht niet was geschonden en dat de situatie nog als tijdelijk kon worden beschouwd. De beroepen werden ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen de verlenging van vergunningen tot 1 september 2002 ongegrond en bevestigt de rechtmatigheid van de besluiten.