ECLI:NL:RBROT:2004:AT9856
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- De Pauw Gerlings - Döhrn
- Van de Water
- De Winkel
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak verkrachting, bewezen aanranding meisje in keldergang
De rechtbank Rotterdam heeft op 14 december 2004 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte die werd verdacht van groepsverkrachting en aanranding van een minderjarig meisje. De rechtbank oordeelde dat het primair ten laste gelegde feit van verkrachting niet wettig en overtuigend was bewezen, waardoor verdachte daarvan werd vrijgesproken.
Wel werd subsidiair bewezen verklaard dat verdachte samen met anderen het meisje heeft aangezet tot het dulden van ontuchtige handelingen door middel van geweld, bedreiging en andere feitelijkheden. De feiten betroffen onder meer betasten van het slachtoffer aan haar borsten, billen en vagina, het vasthouden van het slachtoffer, het dreigen met een brandende aansteker en het slaan en schoppen van het meisje, waardoor zij niet kon ontsnappen.
De rechtbank nam bij de strafoplegging de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het plaatsvond en de persoonlijke omstandigheden van verdachte mee. Verdachte was nog niet eerder veroordeeld, functioneerde naar behoren en toonde zich gevoelig voor correcties. De rechtbank legde een jeugddetentie van vijf maanden op, met aftrek van voorarrest, en bepaalde dat verdachte onmiddellijk werd vrijgelaten. Tevens werd toezicht en begeleiding door de jeugdreclassering geadviseerd, aangevuld met een leerstraf seksuele vorming.
De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer, waarbij de jongste rechter niet medeondertekende. De straf is gebaseerd op diverse artikelen uit het Wetboek van Strafrecht, waaronder art. 246 Sr Pro betreffende aanranding van de eerbaarheid.
Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van verkrachting maar veroordeeld tot vijf maanden jeugddetentie voor medeplegen aanranding.