Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken
van de mondelinge uitspraak in het geding tussen
[Belanghebbende], woonachtig in [woonplaats], eiser,
de Minister van Justitie, verweerder.
verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond,
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van dit besluit, hetgeen in dit geval inhoudt dat het bezwaarschrift van 20 januari 2003 niet-ontvankelijk wordt verklaard,
bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 136,- vergoedt.
De rechtbank heeft zich primair gesteld gezien voor de vraag of de in de brief van 15 november 2002 opgenomen weigering van verweerder om de van eiser ingevolge de Wet op de Justitiële Documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag (hierna: Wet JD) in het Justitieel Documentatie Systeem (hierna: JDS) opgenomen gegevens te wijzigen, moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
Met verweerder constateert de rechtbank dat er ten tijde van het verzoek van eiser tot wijziging van zijn in het JDS opgenomen gegevens geen wettelijke regeling meer bestond waarin de rechtsbescherming met betrekking tot een dergelijk verzoek uitdrukkelijk was geregeld.
De Wet persoonsregistratie, waarin de rechtsbescherming terzake een dergelijk verzoek was geregeld, was per 1 september 2001 immers vervallen en vervangen door de Wet Bescherming Persoonsgegevens. Laatstgenoemde wet is (ingevolge het daarin opgenomen artikel 2) echter niet van toepassing op verwerking van persoonsgegevens ten behoeve van de uitvoering van de Wet JD.
Ter ondervanging van deze lacune in de rechtsbescherming is verweerder bij de behandeling van het bezwaar van eiser tegen de brief van 15 november 2002 vooruitgelopen op de per 1 april 2004 in werking getreden Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (zoals de citeertitel van deze wet per 30 juni 2004 luidt). In artikel 39n van deze wet is namelijk expliciet bepaald dat een beslissing op een verzoek tot verbetering van strafvorderlijke gegevens als een besluit in de zin van de Awb dient te worden gezien.
Anders dan verweerder is de rechtbank echter van oordeel dat de bevoegdheid van verweerder danwel de rechtbank tot behandeling van het bezwaar respectievelijk beroep niet kan worden ontleend aan een ten tijde van de periode in geding nog niet in werking getreden wet.
Aldus dient de rechtbank zich een zelfstandig oordeel te vormen omtrent de vraag of de beslissing van 15 november 2002 een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb inhoudt. Ingevolge dit artikel wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Blijkens de wetsgeschiedenis is met het woord rechtshandeling bedoeld aan te geven, dat het moet gaan om een handeling die is gericht op rechtsgevolg. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat de mededeling van verweerder dat niet zou worden overgegaan tot wijziging van de van eiser in het JDS opgenomen gegevens gericht is (geweest) op enig rechtsgevolg. Aldus behelst het schrijven van verweerder van 15 november 2002 geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.
Voorzover eiser heeft gesteld dat hem een baan zou kunnen worden geweigerd op grond van zijn in het JDS opgenomen gegevens, overweegt de rechtbank dat de weigering van verweerder hierop niet is gericht en deze toekomstige onzekere gebeurtenis derhalve niet als rechtsgevolg kan worden aangemerkt. Overigens zal eiser in een dergelijke situatie (in beginsel) eerst een verklaring omtrent het gedrag dienen te overleggen. De beslissing op een zodanige aanvraag geldt als een zelfstandig appellabel besluit.
Het door verweerder genomen besluit kan derhalve niet in stand blijven en wordt, onder gegrondverklaring van het beroep tegen dit besluit, vernietigd. Aangezien verweerder, gelet op het hiervoor overwogene, op het bezwaar van eiser nog slechts één besluit kan nemen, heeft de rechtbank zelf in de zaak voorzien op de in het dictum aangewezen wijze.
Deze uitspraak is op 12 januari 2005 gedaan door mr. E.F.C. Francken als voorzitter en mr. drs. H. van den Heuvel en mr. C.A.E. Wijnker als leden en op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken door deze kamer van de rechtbank, in tegenwoordigheid van R.P. van der Zande als griffier.
De griffier: De voorzitter:
Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.