ECLI:NL:RBROT:2005:AT6232
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- De Ruijter
- Lamers-Wilbers
- van de Water
- Rechtspraak.nl
Veroordeling voor doodslag met verminderde toerekeningsvatbaarheid en gedeeltelijke schadevergoeding
Op 5 april 2004 heeft verdachte te Schiedam opzettelijk zijn ex-vriendin gewurgd, waardoor zij is overleden. De rechtbank achtte bewezen dat verdachte met opzet handelde en niet in een zodanig ernstig verstoorde geestelijke toestand verkeerde dat hij zijn wil niet kon bepalen.
Deskundigen stelden vast dat verdachte leed aan een persoonlijkheidsstoornis met ontwijkende, afhankelijke en narcistische trekken, die zijn handelen in sterke mate beïnvloedde. De mate van toerekenbaarheid werd door gedragsdeskundigen van het Pieter Baan Centrum als verminderd beoordeeld, wat de rechtbank onderschreef.
De rechtbank veroordeelde verdachte tot een gevangenisstraf van negen jaar, waarbij rekening werd gehouden met de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden en het feit dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking was gekomen. De vordering van de benadeelde partij voor materiële schade werd gedeeltelijk toegewezen, met name de crematiekosten, terwijl overige schadevorderingen werden afgewezen wegens gebrek aan eenvoud voor strafgeding.
De rechtbank wees een terbeschikkingstelling af, omdat het risico op herhaling als laag werd ingeschat en de voorgestelde maatregel niet passend was gezien de ernst van het feit en de strafduur. De opgelegde straf was hoger dan geëist vanwege de ernst van de daad en de impact op het slachtoffer en diens nabestaanden.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot negen jaar gevangenisstraf voor doodslag met verminderde toerekeningsvatbaarheid en gedeeltelijke toewijzing van schadevergoeding.