ECLI:NL:RBROT:2005:AT8728

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 juli 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
591402
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:101 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering resterende kosten rechtsbijstand na aanrijdingsschade

Op 5 januari 2003 vond te Delft een aanrijding plaats tussen een voetgangster en een door gedaagde verzekerde auto, waarbij schade ontstond. Gedaagde erkende 50% aansprakelijkheid en betaalde reeds de helft van de schade. Eiseres vorderde vervolgens resterende kosten van rechtsbijstand en buitengerechtelijke kosten.

De rechtbank overwoog dat volgens artikel 6:101 BW Pro de kosten van rechtskundige bijstand als schadepost kunnen worden verdeeld naar mate van aansprakelijkheid. Hoewel billijkheid soms kan vereisen dat kosten integraal worden vergoed, was hiervan geen sprake omdat gedaagde tijdig aansprakelijkheid erkende en geen onredelijke opstelling aannam.

De buitengerechtelijke kosten overstegen de werkelijke schade, maar er waren geen bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat deze kosten volledig op gedaagde worden verhaald. Daarom werd de vordering afgewezen en eiseres in de proceskosten veroordeeld.

Uitkomst: De vordering tot betaling van resterende kosten van rechtsbijstand en buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen.

Uitspraak

Uitspraak: 5 juli 2005
R E C H T B A N K R O T T E R D A M
sector kanton
VONNIS in de zaak van:
[eiseres]
te Alphen aan de Rijn,
eiseres
gemachtigde: mr E.S.R. Ester,
- tegen -
de naamloze vennootschap
Alliance Nederland Schadeverzekering N.V. te Rotterdam,
gedaagde,
gemachtigde: mr J.M.L.G. de Jong.
1. Het verloop van het geding
De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende processtukken:
- dagvaarding d.d. 1 november 2004;
- conclusie van antwoord;
- conclusie van repliek;
- conclusie van dupliek.
2. De vordering en het verweer
Eiseres vordert dat gedaagde veroordeeld wordt tot betaling van een bedrag van € 463,56, met rente en kosten.
Gedaagde heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering.
3. De vaststaande feiten
3.1 Op 5 januari 2003 heeft zich te Delft een ongeval voorgedaan, waarbij een [mevrouw] als voetgangster en een door gedaagde conform de WAM verzekerde auto waren betrokken. [mevrouw] heeft daardoor schade geleden.
3.2 Het kantoor van eiseres heeft de belangen van [mevrouw] behartigd.
[mevrouw] heeft haar aanspraak op vergoeding van de kosten van belangenbehartiging door eiseres aan eiseres overgedragen.
3.3 Bij brief van 12 februari 2003 is gedaagde aansprakelijk gesteld.
3.4 Bij brief van 22 april 2003 heeft gedaagde voor 50% aansprakelijkheid erkend.
3.5 Bij brief van 20 februari 2004 heeft eiseres aan gedaagde onder meer bericht:
In overleg met cliënte accepteren wij derhalve de schulddeling 50/50.
3.6 In april 2004 hebben partijen vastgesteld dat de totale schade, exclusief buitengerechtelijke kosten € 1.628,60 bedraagt. De helft hiervan is door gedaagde vergoed.
3.7 Eiseres heeft aan gedaagde aan kosten van rechtsbijstand een bedrag van in totaal € 1.265,98 in rekening gebracht.
Hiervan heeft gedaagde € 1.000,-- betaald.
4. De beoordeling
4.1 Eiseres vordert van gedaagde het resterende bedrag van € 265,98 aan kosten van rechtsbijstand, te vermeerderen met inmiddels verschenen rente en buitengerechtelijke kosten (over de kosten van rechtsbijstand).
Eiseres heeft haar vordering onder verwijzing naar jurisprudentie en literatuur uitvoerig toegelicht.
In essentie komen haar stellingen erop neer dat een overeengekomen schulddeling niet onverkort van toepassing is op buitengerechtelijke kosten; dit is met name het geval wanneer niet gediscussieerd is over de schulddeling. De buitengerechtelijke werkzaamheden hebben ten doel gehad dat het slachtoffer de schade vergoed te krijgen waar zij volgens de schuldverdeling recht op had.
Bij kleine schades overstijgen de buitengerechtelijke kosten per definitie de schade, omdat nu eenmaal bij aanvang van de zaak dezelfde handelingen moeten worden verricht als bij een grote schade.
4.2 Gedaagde heeft, eveneens onder uitvoerige verwijzing naar literatuur en jurisprudentie betoogd dat artikel 6:101 BW Pro ook op buitengerechtelijke kosten van toepassing is en een vastgestelde schulddeling in beginsel moet worden toegepast op de buitengerechtelijke kosten; die kosten vallen onder het begrip vermogensschade en vormen een schadepost als alle andere. Onder omstandigheden kan er aanleiding zijn om van deze hoofdregel af te wijken op grond van bijzondere omstandigheden (bijvoorbeeld als tijdens de schaderegeling een onredelijk standpunt is ingenomen).
Daarnaast voert gedaagde aan dat de gevorderde buitengerechtelijke kosten de dubbele redelijkheidstoets niet kunnen doorstaan, nu er geen aanvaardbare verhouding bestaat tussen de buitengerechtelijke kosten en de hoogte van de vordering (schade).
Gedaagde heeft voorts de verschuldigdheid van rente en buitengerechtelijke kosten betwist.
4.3 De kantonrechter stelt voorop dat artikel 6:101BW ook ziet op schade als bedoeld in de zin van artikel 6:96 lid 2 BW Pro.
Daaruit volgt dat vergoedingsplicht van de aansprakelijke partij met betrekking tot de schadepost kosten van rechtskundige bijstand kan worden verminderd door de schade over de benadeelde en vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Uit de overeengekomen aansprakelijkheidsverdeling volgt dat er in beginsel aanleiding is de vergoedingsplicht in evenredige mate te verdelen.
De billijkheid kan met zich brengen dat die overeengekomen aansprakelijkheidsverdeling met betrekking tot kosten van rechtsbijstand niet zonder meer leidend is en uitgegaan moet worden van gehoudenheid tot integrale vergoeding van die kosten. Of een dergelijke situatie zich voordoet hangt af van de bijzondere omstandigheden van het geval. De door partijen reeds aangehaalde onredelijke opstelling van de vergoedingsplichtige partij kán aanleiding zijn de kosten van rechtsbijstand integraal op de vergoedingsplichtige af te wentelen.
Van een dergelijke onredelijke opstelling is de kantonrechter niet gebleken. Gedaagde heeft met bekwame spoed aansprakelijkheid voor 50% erkend. Niet is gebleken dat zich vervolgens in het schaderegelingproces nog bijzondere ontwikkelingen hebben voorgedaan.
Daarnaast acht de kantonrechter van belang dat de kosten van rechtsbijstand in redelijke verhouding moeten staan tot het uiteindelijke resultaat om voor vergoeding in aanmerking te komen. Zodra die kosten de eigenlijke schade te boven gaan, zal moeten blijken van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat zodanige kosten gemaakt zijn. Ook van dergelijke bijzondere omstandigheden is de kantonrechter niet gebleken.
Het enkele feit dat sprake is van letstel acht de kantonrechter niet zonder meer een zodanige bijzondere omstandigheid.
Gedaagde heeft aan buitengerechtelijke kosten meer betaald dan de totale aan het slachtoffer uitgekeerde schade. Met in achtneming van het vorenstaande leidt dat tot de conclusie dat de redelijke kosten voldaan zijn, zodat gedaagde niets meer verschuldigd is.
De vordering wordt afgewezen.
Eiseres wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.
5. De beslissing
De kantonrechter,
wijst de vordering af;
veroordeelt eiseres in de kosten van de procedure aan de zijde van gedaagde gevallen, tot op heden begroot op € 120,-- aan salaris gemachtigde.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.F.L.Geerdes.
Uitgesproken ter openbare terechtzitting.