ECLI:NL:RBROT:2005:AU3874
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Zorgplicht vermogensbeheerder en geldigheid exoneratieclausule in vermogensbeheer overeenkomst
De zaak betreft een geschil tussen een cliënt en een bank over de nakoming van een vermogensbeheer overeenkomst en de toepasselijkheid van een exoneratieclausule. De cliënt stelt dat de bank haar zorgplicht heeft geschonden door onjuist te adviseren, onvoldoende te waarschuwen en niet te handelen volgens het risicoprofiel. Tevens wordt betwist of de bank de ondergrens van de portefeuillewaarde respecteerde en of zij schadebeperkende maatregelen had moeten treffen.
De rechtbank stelt vast dat partijen een 'vrije hand beheer' overeenkomst zijn overeengekomen waarbij de bank binnen het afgesproken beleggingsbeleid vrij was in het beheer. De cliënt draagt de bewijslast voor zijn stellingen over schending van de zorgplicht en onjuiste advisering. De rechtbank wijst verschillende klachten van de cliënt af wegens onvoldoende onderbouwing, zoals het niet respecteren van een ondergrens, het niet waarschuwen bij waardedaling en het niet rekening houden met een mogelijke belastingaanslag.
De exoneratieclausule in artikel 8.3 van de overeenkomst beperkt de aansprakelijkheid van de bank tot gevallen van opzet of grove schuld. De rechtbank oordeelt dat deze clausule geen onredelijk bezwarend beding is en dat de cliënt door ondertekening akkoord is gegaan met de clausule. De rechtbank staat de cliënt toe bewijs te leveren over de vraag of sprake is van opzet of grove schuld.
De procedure wordt voortgezet met een bewijsopdracht, waaronder het horen van getuigen, om de gestelde tekortkomingen en aansprakelijkheid nader te onderzoeken.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de exoneratieclausule geldig is en wijst de meeste vorderingen van de cliënt af wegens onvoldoende bewijs, maar staat bewijslevering toe over mogelijke grove schuld of opzet van de bank.