ECLI:NL:RBROT:2005:AU4403
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Tussentijdse vaststelling WOZ-waarde woning niet in strijd met rechtszekerheids- of vertrouwensbeginsel
Eiseres, eigenaar van een in aanbouw zijnde woning, betwistte de tussentijdse vaststelling van de WOZ-waarde door verweerder, de directeur Gemeentebelastingen Rotterdam. Verweerder had de waarde van de woning per 1 januari 1999 vastgesteld op €170.913, na een eerdere beschikking van 31 december 2003 waarin de waarde op €81.526 was vastgesteld voor de periode 2001-2004.
De rechtbank oordeelde dat de mutatiebeschikking van 30 september 2004 terecht was genomen, omdat de woning in 2001 was opgeleverd en daarmee een waardeverandering had plaatsgevonden binnen het tijdvak waarvoor de waarde was vastgesteld. De rechtbank verwierp het beroep van eiseres dat sprake zou zijn van schending van het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, omdat eiseres geen aannemelijke feiten had gesteld die een beschermd vertrouwen konden rechtvaardigen.
Verweerder bracht een taxatieverslag in met vergelijkingsobjecten die qua aard, bouwjaar en onderhoud vergelijkbaar waren met de woning van eiseres. De rechtbank vond dat de waarde van €170.913 aannemelijk was en niet willekeurig was vastgesteld. De verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten waren voldoende in de waardering verwerkt.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en zag geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd op 26 september 2005 in het openbaar uitgesproken door rechter D.C.J. Peeck.
Uitkomst: Het beroep tegen de tussentijdse WOZ-waardebeschikking wordt ongegrond verklaard en de waarde van €170.913 wordt bevestigd.