ECLI:NL:RBROT:2006:AV9820
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Van Zelm van Eldik
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse rechter bij vordering tegen Duitse cognossementsvervoerders en exhibitieincident
In deze civiele zaak staat de vraag centraal of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van vorderingen van ladingbelanghebbenden tegen diverse vervoerders en hun aansprakelijke vennoten, die gevestigd zijn in Duitsland, Cyprus en andere landen. De vorderingen betreffen schade aan goederen vervoerd onder cognossementen, waarbij de vervoerders zich beroepen op een jurisdictieclausule die alle geschillen aan een Chinese rechtbank toewijst.
De rechtbank oordeelt dat deze clausule buiten het toepassingsgebied van artikel 23 EEX Pro-Verordening valt en dat deze clausule jegens de vervoerders niet geldig is onder het Nederlandse internationaal bevoegdheidsrecht. De rechtbank stelt dat zij wel bevoegd is op grond van artikel 5 lid 3 EEX Pro-Verordening, omdat Rotterdam de plaats is waar de schade is ingetreden, en dat dit geldt voor de vervoerders en hun persoonlijk aansprakelijke vennoten.
De rechtbank wijst erop dat de vraag of de vervoerders daadwerkelijk als vervoerder onder het cognossement kunnen worden aangesproken, evenals de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad, in de hoofdzaak moeten worden beoordeeld. Ten aanzien van het exhibitieincident verklaart de rechtbank zich eveneens bevoegd en bepaalt zij dat de zaak zal worden voortgezet. De beslissing in de hoofdzaak wordt aangehouden.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich bevoegd ten aanzien van de vorderingen tegen de vervoerders en in het exhibitieincident en houdt de hoofdzaak aan.