ECLI:NL:RBROT:2006:AW2565
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- W.F. Lubberink
- Rechtspraak.nl
Ontslag op staande voet wegens niet naleven re-integratievoorschriften niet gegrond verklaard
De kantonrechter van de rechtbank Rotterdam heeft op 5 april 2006 geoordeeld over een geschil tussen een werknemer en zijn werkgever omtrent een ontslag op staande voet. De werkgever had het ontslag gebaseerd op het vermeende weigeren van de werknemer om re-integratievoorschriften na te leven. In een tussenvonnis van 11 januari 2006 werd reeds geoordeeld dat deze redenen onvoldoende waren om het ontslag te dragen.
Tijdens de comparitie op 21 februari 2006 werden aanvullende producties en mondelinge toelichtingen gegeven. De kantonrechter overwoog dat een dringende reden in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW Pro vereist dat de gedragingen van de werknemer zodanig zijn dat van de werkgever niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst voort te zetten. De enkele weigering van de werknemer om de re-integratievoorschriften na te leven, zonder aanvullende feiten, volstaat niet.
Gezien de lengte van het dienstverband, de leeftijd van de werknemer en diens ziektebeeld, concludeerde de kantonrechter dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig was. De werkgever werd veroordeeld tot doorbetaling van het loon vanaf 7 juni 2005 tot het einde van de arbeidsovereenkomst, vermeerderd met wettelijke rente en een billijke verhoging van 20% conform artikel 7:625 BW Pro. Tevens werd de werkgever veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het ontslag op staande voet is nietig verklaard en de werkgever is veroordeeld tot doorbetaling van loon met wettelijke rente en een billijke verhoging van 20%.