ECLI:NL:RBROT:2006:AX2161
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling waardevaststelling woning op grond van WOZ-beschikking
Eiser betwistte de WOZ-waarde van zijn woning, vastgesteld op €360.000,- voor het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 31 december 2006, en stelde dat de waarde op basis van een eigen taxatierapport uit 2004 lager moest zijn, namelijk €306.000,-. Hij voerde aan dat verweerder pas na het instellen van het beroep een taxatie had uitgevoerd, wat volgens hem onrechtmatig was.
Verweerder stelde dat het taxatieverslag voorafgaand aan het besluit was opgesteld en dat het verslag met het besluit was toegezonden aan eiser. De taxatie was gebaseerd op de vergelijkingsmethode met meerdere vergelijkingsobjecten, waarvan de vergelijkbaarheid niet door eiser werd betwist. De rechtbank oordeelde dat de taxatie voorafgaand aan het besluit had plaatsgevonden en dat het latere taxatierapport van september 2005 een nadere uitwerking van de berekening betrof.
De rechtbank overwoog dat de door eiser voorgestelde waardeberekening niet in overeenstemming was met de wettelijke bepalingen, omdat deze uitging van een vergelijking met een eerdere WOZ-waarde uit 1999, wat niet is toegestaan. Ook was niet gebleken dat het taxatierapport van eiser was opgesteld volgens de voorgeschreven waarderingsmethoden. De rechtbank concludeerde dat de waardevaststelling van €360.000,- juist was en verklaarde het beroep ongegrond.
Ten slotte wees de rechtbank een veroordeling in proceskosten af en sprak de uitspraak uit in aanwezigheid van de griffier. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep en cassatie onder bepaalde voorwaarden.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waardevaststelling van €360.000,- wordt ongegrond verklaard.