ECLI:NL:RBROT:2006:AX8756
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- L.J. van Die
- Rechtspraak.nl
Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens vertrouwensbreuk door handel in gestolen goederen tijdens werktijd
Een werkgever verzocht de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een werknemer die tijdens werktijd via bedrijfsfaciliteiten handelde in digitale camera's die volgens de werkgever gestolen waren. De werknemer ontkende dat de camera's gestolen waren of dat hij daarvan op de hoogte was. De kantonrechter overwoog dat het handelen van de werknemer een ernstige vertrouwensbreuk opleverde die een gegronde reden vormde voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
De kantonrechter stelde vast dat het primaire ontslag op staande voet wegens dringende reden onvoldoende was bewezen vanwege de gemotiveerde betwisting door de werknemer en het ontbreken van bewijslevering in deze procedure. Wel was er sprake van een zodanige wijziging van omstandigheden, namelijk het wegvallen van het noodzakelijke vertrouwen, dat ontbinding per 1 juli 2006 gerechtvaardigd was.
De werknemer kreeg een billijke vergoeding van €10.500 bruto toegekend omdat niet vaststond dat één van de partijen in overwegende mate verwijtbaar was voor de vertrouwensbreuk. De kantonrechter bepaalde tevens dat beide partijen tot 16 juni 2006 hun verzoek tot ontbinding konden intrekken. Proceskosten werden ieder voor eigen rekening genomen.
Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 juli 2006 wegens vertrouwensbreuk, met een vergoeding van €10.500 bruto aan de werknemer.