ECLI:NL:RBROT:2006:AY3933
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- K.L. van Zetten
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schadevordering wegens nalaten hoger beroep tegen UWV-besluit
Na ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst vroeg de werknemer een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd wegens verwijtbaar werkloos worden. Tegen dit besluit maakte de werknemer bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. De gemachtigde van de werknemer tekende namens hem beroep aan bij de rechtbank, dat eveneens werd afgewezen. De gemachtigde stelde echter geen hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep, terwijl dit binnen zes weken mogelijk was.
De werknemer vorderde daarop schadevergoeding van zijn gemachtigde wegens het nalaten van dit hoger beroep, stellende dat hij daardoor een WW-uitkering misliep. De gemachtigde erkende de beroepsfout, maar betwistte dat er schade was geleden omdat het hoger beroep weinig kans van slagen had.
De rechtbank oordeelde dat de werknemer onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het hoger beroep kans van slagen had, mede omdat hij zijn stelling over ziekte en arbeidsongeschiktheid onvoldoende onderbouwde met medische stukken. De beslissing van het UWV en de rechtbank waren goed gemotiveerd en de Centrale Raad van Beroep zou naar verwachting hetzelfde oordeel hebben gehad.
Daarom werd de schadevordering afgewezen en werd de werknemer veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is gewezen door mr. K.L. van Zetten en uitgesproken in openbare terechtzitting.
Uitkomst: De schadevordering wegens het nalaten van hoger beroep tegen het UWV-besluit wordt afgewezen.