ECLI:NL:RBROT:2006:AY5983
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.C.W.M. Dekkers
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering wegens niet-omzetting arbeidsovereenkomst na drie jaar tijdelijke contracten
Een werkneemster was drie jaar werkzaam bij een werkgever op basis van jaarcontracten. Na afloop van het derde contract werd de arbeidsovereenkomst niet omgezet in een contract voor onbepaalde tijd vanwege bedrijfseconomische omstandigheden. De werkgever stelde vervolgens een vacature open voor een tijdelijke arbeidskracht.
De werkneemster stelde dat de werkgever onjuiste informatie gaf over de reden van beëindiging en dat de werkelijke reden leeftijdsdiscriminatie was, wat een onrechtmatige daad oplevert. Tevens stelde zij dat zij was vervangen door een jongere werknemer en dat er sprake was van schending van de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (WGBGLA). Daarnaast voerde zij aan dat er een gerechtvaardigd vertrouwen was gewekt op een vaste aanstelling.
De werkgever voerde verweer dat de vordering verjaard was en dat het beleid van tijdelijke contracten vanwege fluctuerende bedrijfsresultaten rechtmatig was. De kantonrechter oordeelde dat geen sprake was van een onrechtmatige beëindiging, dat de werkneemster onvoldoende concrete feiten had aangevoerd ter onderbouwing van haar stellingen en dat de vordering daarom moest worden afgewezen. De werkneemster werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering van de werkneemster wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van leeftijdsdiscriminatie en onrechtmatige beëindiging.