ECLI:NL:RBROT:2006:AY6197
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Hoofdelijke aansprakelijkheid na faillissement ex-echtgenoot voor geldleningsovereenkomst
In deze zaak staat de hoofdelijke aansprakelijkheid van [X] centraal voor een geldlening die zij samen met haar ex-echtgenoot [Y] in 1993 is aangegaan bij InterBank N.V., rechtsvoorgangster van IDM Financieringen B.V. Na de echtscheiding in 1998 ging [Y] failliet en werd een akkoord in het faillissement gehomologeerd in 2000. IDM vordert betaling van de restantschuld van [X], vermeerderd met kredietvergoeding en kosten.
[X] betoogt dat het akkoord in het faillissement ook voor haar geldt en dat de huwelijksgemeenschap in de faillissementsboedel is gevallen, waardoor haar aansprakelijkheid beperkt zou zijn. De rechtbank oordeelt echter dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van [X] niet is geëindigd door het faillissement en dat IDM haar rechten jegens [X] behoudt op grond van artikel 160 Faillissementswet Pro.
De rechtbank stelt vast dat IDM niet tijdig heeft geïnformeerd over het behoud van het verhaalsrecht jegens [X] bij het akkoord, waardoor een volledige vordering onredelijk is. Daarom wordt de vordering toegewezen tot de helft van het bedrag dat [X] en [Y] gezamenlijk verschuldigd waren in maart 2000. De wettelijke rente wordt toegekend vanaf de dagvaarding in 2005. Proceskosten worden gecompenseerd.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt [X] tot betaling van de helft van de schuld met wettelijke rente vanaf dagvaarding.