ECLI:NL:RBROT:2006:AY6255

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
205820 / HA ZA 95-3768
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • L. de Loor-Alwin
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 222 lid 1 RvArt. 220 lid 2 RvArt. 220 lid 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van vordering tot voeging in civiele procedure en verwijzing naar rol voor vonnis

In deze civiele procedure vorderde de man dat zijn zaak werd gevoegd met een andere aanhangige zaak bij de rechtbank Rotterdam. De vrouw betwistte deze vordering gemotiveerd. De rechtbank constateerde dat voeging reeds had plaatsgevonden bij een eerder vonnis van 21 september 2000 en dat de wet voeging slechts in een vroeg stadium van de procedure toestaat. Omdat de vordering tot voeging te laat was ingesteld, werd deze afgewezen.

De rechtbank motiveerde dat voeging dient om tegenstrijdige beslissingen en verknochte zaken te voorkomen en dat de wet geen ruimte laat voor latere of hernieuwde voeging. Hoewel de procedures in de gevoegde zaken niet gelijk oplopen, blijft de voeging in stand. De man werd veroordeeld in de kosten van het incident.

Tenslotte verwees de rechtbank de hoofdzaak naar de rol van 19 juli 2006 voor het vragen van vonnis en hield verdere beslissingen aan. De gevoegde zaak die op de parkeerrol stond, zal ambtshalve op dezelfde datum worden opgebracht zodat gelijktijdig vonnis kan worden gevraagd.

Uitkomst: Vordering tot voeging werd afgewezen en de zaak werd verwezen naar de rol voor vonnis.

Uitspraak

R E C H T B A N K R O T T E R D A M
sector civiel recht
Zaak-/rolnummer: 205820 / HA ZA 95-3768
Uitspraak: 5 juli 2006
VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:
[X],
wonende te [woonplaats], België,
eiseres in de hoofdzaak,
gedaagde in het incident,
procureur mr. O.E. Meijer,
- tegen -
[Y],
wonende te [woonplaats],
gedaagde in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
procureur mr. J.F. van Duin.
Partijen blijven aangeduid als “de vrouw” respectievelijk “de man”.
1. Het geschil in het incident en de beoordeling daarvan
1.1 De man heeft gevorderd dat deze zaak (die voorheen was geregistreerd onder zaak-/rolnummer 35872 / FA ZA 95-27) wordt gevoegd met de bij deze rechtbank aanhangige zaak met zaak-/rolnummer 205816 / HA ZA 00-2848 (die voorheen was geregistreerd onder zaak-/rolnummer 132108 / FA ZA 00-05).
De vrouw heeft de vordering gemotiveerd betwist.
1.2 De door de man gevorderde voeging heeft reeds plaatsgehad bij vonnis van 21 september 2000 (gewezen in de zaak met zaak-/rolnummer 205816 / HA ZA 00-2848, voorheen 132108 / FA ZA 00-05).
Daarnaast heeft de vrouw er terecht op gewezen dat voeging in dit stadium van de procedure niet meer gevorderd kan worden: deze vordering immers slechts worden ingesteld (door eiser) bij de inleidende dagvaarding of bij incidentele conclusie vóór het antwoord dan wel (door gedaagde) vóór alle weren voor de conclusie van antwoord (art 222 lid Pro jo 220 lid 2 en 3 Rv). Het stelsel van de wet gaat er dus vanuit dat voeging in een vroeg stadium van één van de gevoegde zaken plaatsvindt. De wet laat geen ruimte voor latere of hernieuwde voeging. Voeging strekt ertoe tegenstrijdige beslissingen in zaken over hetzelfde onderwerp en verknochte zaken tegen te gaan. Gevoegde zaken plegen daarom in de regel gelijk op te gaan, maar behoeven dat niet te doen; het blijven immers twee zaken. Indien de procedures in gevoegde zaken niet gelijk oplopen, zoals in dit geval is gebeurd, blijft de voeging in stand.
1.3 Het vooroverwogene leidt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van de man in de kosten van het incident.
1.4 In de hoofdzaak zal de zaak naar de rol worden verwezen voor het vragen van vonnis. De gevoegde zaak, die thans op de parkeerrol staat, zal ambtshalve worden opgebracht op dezelfde roldatum, opdat in beide zaken tegelijk vonnis kan worden gevraagd.
2. De beslissing
De rechtbank,
in het incident:
wijst de vordering af,
veroordeelt de man in de kosten van het incident, die tot deze uitspraak worden begroot op EUR 1.421,
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 19 juli 2006 voor het vragen van vonnis,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. de Loor-Alwin.
Uitgesproken ter openbare terechtzitting.
1548