ECLI:NL:RBROT:2006:AY8311
Rechtbank Rotterdam
- Wraking
- Van der Grinten
- Ahsmann
- Kuip
- Rechtspraak.nl
Gehonoreerd wrakingsverzoek wegens vooringenomenheid bij voorlopige hechtenis
Verzoeker, preventief gedetineerd, diende een wrakingsverzoek in tegen drie rechters van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Rotterdam die zijn strafzaak behandelden. Dit verzoek volgde op de afwijzing van het verzoek tot opheffing van zijn voorlopige hechtenis en het niet toevoegen van bepaalde verklaringen aan het dossier. De wraking werd gebaseerd op de motivering in het proces-verbaal van de zitting van 7 juni 2006, waarin de rechters stelden dat belastende verklaringen van kroongetuigen niet waren weersproken, wat verzoeker als een teken van vooringenomenheid ervoer.
De rechtbank nam kennis van het dossier, waaronder eerdere zittingen en brieven van partijen. De rechters verweerden zich door te stellen dat de afwijzing van verzoeken volgens vaste jurisprudentie geen grond voor wraking oplevert en dat het rechtsmiddel van hoger beroep openstond, dat ook was benut. De officier van justitie concludeerde tot niet-ontvankelijkheid of afwijzing van het wrakingsverzoek.
De rechtbank oordeelde dat wraking dient om de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter te waarborgen en dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij uitzonderlijke omstandigheden anders doen blijken. De motivering van de afwijzing van het verzoek tot opheffing van voorlopige hechtenis was onvoldoende toegelicht, vooral gezien eerdere twijfel over de betrouwbaarheid van verklaringen van een kroongetuige. Dit wekte bij verzoeker een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid.
Daarom werd het wrakingsverzoek gegrond verklaard en toegewezen. De rechtbank liet andere aangevoerde gronden onbesproken omdat de gegrondheid van het verzoek reeds vaststond.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de drie rechters wordt toegewezen wegens objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid.