ECLI:NL:RBROT:2006:AZ3039
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Uitleg en toepassing van clausule in brandverzekering bij brandstichting
De zaak betreft een geschil tussen erfgenamen van een overledene en twee verzekeraars over de uitkering van schadevergoeding na brandstichting in de woning van de overledene. De verzekeringspolissen bevatten een clausule die de bewijslast van de oorzaak van brand bij de verzekerde legt.
De eisers stellen dat zij slechts de oorzaak van de brand hoeven te bewijzen, terwijl de verzekeraars betogen dat ook de identiteit van de brandstichter bewezen moet worden. De rechtbank oordeelt dat de clausule niet voor meerdere uitleg vatbaar is en dat de verzekerde alleen de oorzaak van de brand hoeft te bewijzen. De clausule moet duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd, zeker gezien het verschil in rechtskennis tussen professionele verzekeraars en niet-professionele verzekerden.
Verder stelt de rechtbank vast dat de brand is ontstaan door brandstichting en dat de bewijslast voor merkelijke schuld of nalatigheid bij de verzekeraars ligt. De rechtbank beveelt de eisers om het strafdossier en relevante stukken te overleggen en geeft de verzekeraars gelegenheid daarop te reageren. De zaak wordt verwezen naar een volgende rolzitting voor verdere behandeling.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering af en beveelt overlegging van aanvullende stukken voor verdere behandeling.