3 De feiten
Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken, wordt, mede gelet op de overgelegde stukken, voor zover de inhoud daarvan niet is weersproken, van de volgende gegevens als vaststaand uitgegaan.
Partijen zijn getrouwd geweest en gescheiden in 1999; hun 3 kinderen waren ten tijde van de echtscheiding respectievelijk 8, 7 en 3 jaar oud, thans zijn zij 16, 14 en 10 jaar oud.
De kinderen zijn bij hun moeder blijven wonen. De ouders hebben gezamenlijk gezag.
De moeder en de kinderen zijn in verband met de moeite met de echtscheiding en het omgaan met de vader regelmatig, ook recent, onder behandeling van een psycholoog.
De kinderen hebben de naam van de vader, [eiser], als geslachtsnaam.
Enige tijd na de echtscheiding zijn de moeder en de kinderen de naam van de moeder, [gedaagde], als achternaam voor de kinderen gaan gebruiken, hetgeen samenhangt met de echtscheiding en de houding van de vader, zoals door hen opgevat, welke zij in beduidende mate als niet positief zien. De laatste anderhalf jaar is er in het geheel geen contact tussen de vader en de kinderen, ook niet schriftelijk bij verjaardagen.
In het dagelijks leven wordt door de moeder en de kinderen de naam [gedaagde] gebruikt, behoudens in de gevallen, waarin dat in de praktijk niet blijkt te kunnen, bij voorbeeld bij reispapieren van de kinderen. In een dergelijke situatie wordt de (in het paspoort vermelde) geslachtsnaam [eiser] gebruikt.
De vader weet van het gebruik van de naam [gedaagde] als achternaam in ieder geval sedert het schooljaar 2002-2003. In overgelegde schoolrapporten van de kinderen van dat jaar en van daarop volgende jaren staat als achternaam van de kinderen vermeld [gedaagde]. Deze schoolrapporten hebben de kinderen in de loop der tijd steeds aan hun vader laten zien.
De vader heeft de onderhavige kortgeding procedure aangespannen, nadat hem bekend was geworden, dat de moeder het voornemen had een formele wijziging van de geslachtsnaam te trachten te bewerkstelligen. De moeder is er inderdaad toe overgegaan een verzoek tot wijziging ingevolge het Besluit geslachtsnaamswijziging in te dienen. Dit verzoek is overigens daarna niet-ontvankelijk verklaard, omdat het verzoek niet aan het vereiste voldeed, dat het door beide ouders gezamenlijk als dragers van het gezamenlijk gezag met gezamenlijk goedvinden dient te worden ingediend. Daarna is omtrent de geslachtsnaamswijziging door de moeder een procedure in het kader van de geschillenregeling ingeval van gezamenlijke gezagsuitoefening ex artikel 1: 253a B. W. geëntameerd. In afwachting van laatst vermelde procedure is de onderhavige kortgeding procedure aangehouden. De uitkomst van de procedure ex artikel 1: 253a B. W. is inmiddels bekend en deze houdt in, dat de geslachtsnaam [eiser] ongewijzigd blijft.
De vader heeft de onderhavige kortgeding vordering gehandhaafd.