ECLI:NL:RBROT:2006:AZ4908
Rechtbank Rotterdam
- Raadkamer
- De Boer
- Van Belzen
- Van de Kar
- Rechtspraak.nl
Toekenning schadevergoeding voor ten onrechte ondergane voorlopige hechtenis na vrijspraak Hofstadgroep-verdachte
Mohamed El B. werd in het kader van de Hofstadgroep-zaak in verzekering gesteld en vervolgens in voorlopige hechtenis genomen van 2 november 2004 tot 5 januari 2006. Na zijn vrijspraak verzocht hij de rechtbank om een schadevergoeding van in totaal € 817.000 voor immateriële en materiële schade, waaronder gederfde inkomsten, studiefinanciering, OV-kosten en door familie gemaakte vervoerskosten.
De rechtbank oordeelde dat alleen schade die rechtstreeks voortvloeit uit de ten onrechte ondergane hechtenis voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank wees de meeste materiële schadeposten af, omdat deze niet direct aan de detentie konden worden toegerekend. Wel werd erkend dat de immateriële schade door de zwaarte van de hechtenis en het beveiligingsregime bovengemiddeld was, wat aanleiding gaf tot een hogere vergoeding dan het standaardtarief.
De rechtbank kende daarom een vergoeding toe van €250 per dag voor de periode in verzekering (59 nachten) en €200 per dag voor de periode in voorlopige hechtenis (369 nachten), wat een totaalbedrag van €88.550 opleverde. Verzoeker kreeg geen vergoeding voor gederfde inkomsten, omdat de bespaarde kosten van levensonderhoud tijdens detentie hoger waren. Verzoeken voor vergoeding van studiefinanciering, OV-kosten en vervoerskosten van familie werden afgewezen.
De beschikking werd gegeven door de rechtbank Rotterdam, nevenvestiging 's-Gravenhage, op 7 november 2006, waarbij de rechters De Boer, Van Belzen en Van de Kar de beschikking uitspraken.
Uitkomst: De rechtbank kent Mohamed El B. een schadevergoeding van €88.550 toe voor ten onrechte ondergane voorlopige hechtenis.