ECLI:NL:RBROT:2006:BB1894
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- K.L. van Zetten
- Rechtspraak.nl
Ontslag werknemer en geschil over kennelijk onredelijk ontslag en vergoeding
De werknemer, sinds 1997 in dienst bij de werkgever, werd ontslagen wegens bedrijfseconomische redenen na verlies van een belangrijke klant. De werknemer was 59 jaar oud en had beperkte kansen op de arbeidsmarkt. Hij vorderde een vergoeding van ruim €33.500 wegens toekomstige inkomensderving, pensioenschade en andere kosten, stellende dat het ontslag kennelijk onredelijk was volgens artikel 7:681 BW Pro.
De werkgever erkende het ontslag en de bedrijfseconomische noodzaak, maar betwistte dat een vergoeding moest worden toegekend. Er was sprake van vrijstelling van werkzaamheden met behoud van salaris en een aanbod van een afscheidsvergoeding van drie maandsalarissen, welke de werknemer niet accepteerde. De werkgever kon geen passend ander werk aanbieden.
De kantonrechter oordeelde dat de gevolgen van het ontslag voor de werknemer ernstig waren gezien zijn leeftijd en arbeidsmarktperspectief. De kantonrechter beval een comparitie om nadere informatie te verkrijgen over opleiding, inspanningen om werk te vinden, WW-uitkering en de aard van de toeslagen. Tevens werd een minnelijke regeling beproefd. De beslissing werd aangehouden tot na deze zitting.
Uitkomst: Beslissing aangehouden tot na comparitie voor nadere informatie en minnelijke regeling.