ECLI:NL:RBROT:2007:AZ9190

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
192959 / HA ZA 03-639
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Bewijsverordening nr. 1206/2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek getuigenverhoor in Frankrijk onder Bewijsverordening

In deze civiele zaak tussen een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid en de Franse vennootschap Primar S.A.R.L. heeft de rechtbank Rotterdam een verzoek behandeld om een getuige onder toepassing van de Bewijsverordening nr. 1206/2001 in Frankrijk te horen.

De rechtbank overweegt dat het in het algemeen de voorkeur geniet dat getuigen worden gehoord door de rechter die over het geschil beslist. Hoewel de getuige aangeeft niet in staat te zijn naar Rotterdam te komen vanwege veelvuldig onderweg zijn en het moeilijk kunnen aangeven van verhinderingen, wegen de belangen van partijen en het belang om het getuigenverhoor spoedig voort te zetten en kosten te beperken zwaarder.

De rechtbank concludeert dat het bezwaar van de getuige niet zodanig is dat het verzoek kan worden ingewilligd, mede omdat de reistijd naar Frankrijk ook niet onoverkomelijk is. Daarom wordt het verzoek afgewezen en bepaalt de rechtbank dat de getuige in Nederland zal worden gehoord. De eiseres wordt verzocht data op te geven waarop de getuige en alle betrokkenen beschikbaar zijn, waarna het verhoor zal worden gepland.

Uitkomst: Het verzoek om de getuige in Frankrijk te horen wordt afgewezen en de getuige zal in Nederland worden gehoord.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Sector civiel recht
Zaak-/rolnummer: 192959 / HA ZA 03-639
Uitspraak: 10 januari 2007
VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eideres],
gevestigd te Rotterdam,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
procureur mr. H.E. Schweers,
advocaat mr. J.M. Wolfs te Maastricht,
- tegen -
de naar de plaats harer vestiging rechtspersoonlijkheid bezittende Franse vennootschap
PRIMAR S.A.R.L.,
gevestigd te Perpignan Cedex, Frankrijk,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
procureur mr. M.A. Bol,
advocaat mr. I.A. van Rooij te Tilburg.
Partijen blijven verder aangeduid als "[eiseres]" respectievelijk "Primar".
1. Het verdere verloop van het geding
De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 4 januari 2006 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;
- proces-verbaal van het op 1 juni 2006 gehouden getuigenverhoor;
- akte aan de zijde Primar;
- akte aan de zijde van [eiseres].
2. De verdere beoordeling
2.1
[eiseres] heeft aangegeven in enquête te willen doen horen [get[getuige] (hierna: [getuige]). Naar aanleiding van een verzoek daartoe namens [getuige] heeft de rechtbank ambtshalve de vraag opgeworpen of de rechtbank deze getuige onder toepassing van de Bewijsverordening nr.1206/2001 zou moeten doen horen in Frankrijk.
2.2
De rechtbank stelt voorop dat het in het algemeen de voorkeur geniet dat getuigen, zo mogelijk, worden gehoord door de rechter die over het geschil moet beslissen.
Het door [getuige] aangegeven belang om in Frankrijk te worden gehoord, bestaat hieruit dat hij niet in staat zou zijn om naar Rotterdam te komen in verband met het feit dat hij veelal onderweg is en het moeilijk is om voor een langere periode verhinderdata aan te geven. Daar tegenover staat het belang van partijen om het getuigenverhoor zo spoedig als mogelijk voort te zetten en verdere vertraging en kosten zoveel als mogelijk te vermijden. Beide partijen hebben daarom bepleit de getuige in Nederland te horen.
Het voorgaande afwegende, moet het belang van de getuige ondergeschikt worden geacht aan het algemene uitgangspunt en het belang van partijen. Daarbij weegt mee dat het door [getuige] aangegeven probleem om naar Rotterdam te komen evenzeer geldt voor het doen horen van deze getuige in Frankrijk, zij het dat dit laatste mogelijk minder tijd kost gelet op de reistijden. Deze reistijden zijn echter ook niet zo lang dat dit als een onoverkomelijk bezwaar kan worden aangemerkt. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.
2.3
De rechtbank zal overeenkomstig het voorstel van [eiseres] getuige [getuige] in zoverre tegemoet komen, dat de rechtbank [eiseres] verzoekt opgave te doen van de zittingsdagen op welke haar getuige wel in Nederland zou kunnen verschijnen en van de beschikbaarheid van alle betrokkenen op deze data, als hierna bepaald.
3. De beslissing
De rechtbank,
bepaalt dat getuige [getuige] in Nederland zal worden gehoord;
bepaalt dat de procureur van [eiseres] binnen drie weken na vonnisdatum opgave moet doen van de data vallend op donderdag of vrijdag in de maanden februari, maart en april 2007 waarop alle betrokkenen beschikbaar zijn, waarna dag en uur van het verhoor zal worden bepaald;
bepaalt dat het aan de hand van de opgaven vastgestelde tijdstip, behoudens dringende redenen, niet zal worden gewijzigd;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Heevel.
Uitgesproken in het openbaar.
1515