ECLI:NL:RBROT:2007:BA0274
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vergoeding niet-genoten vakantiedagen bij beëindiging dienstverband
Eiser, in dienst sinds 1 juni 2003, vordert vergoeding van 239,2 niet-genoten vakantie-uren over 2004, naast reeds betaalde 64 uren over 2005. Werkgever stelde dat eiser had ingestemd met afzien van vakantietegoed, dan wel dat vakantie rechtsgeldig was vastgesteld vanaf 14 april 2005.
De rechtbank stelt vast dat eiser nooit heeft ingestemd met het afzien van zijn vakantietegoed en dat werkgever geen vakantie eenzijdig rechtsgeldig kon vaststellen zonder instemming van eiser, behoudens gewichtige redenen die hier niet aanwezig zijn. De wens van de werknemer om geen vakantie op te nemen is niet in strijd met goed werknemerschap en ook niet onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.
Daarom is de vordering tot vergoeding van niet-genoten vakantiedagen toewijsbaar, voor zover niet reeds betaald. De rechtbank staat werkgever toe bewijs te leveren over betaling van een deel van het tegoed. De zaak wordt verwezen naar een rolzitting voor nadere bewijslevering en verdere beslissing.
Uitkomst: Werkgever kan niet eenzijdig vakantie opleggen; werknemer heeft recht op vergoeding van niet-genoten vakantiedagen.