ECLI:NL:RBROT:2007:BA3911
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Geschil over aansluittarieven en basistarieven kabelabonnement en gebod tot onderhandelen
In deze civiele procedure tussen zeven gemeenten en UPC over de aansluittarieven en basistarieven voor kabelabonnementen heeft de rechtbank Rotterdam geoordeeld over de uitleg van de exploitatieovereenkomsten, in het bijzonder artikel 5.1 en 5.4.
De rechtbank stelde vast dat de gemeenten geen beroep meer kunnen doen op de oorspronkelijke afspraken over aansluitingskosten zoals neergelegd in artikel 5.4, omdat UPC een afwijkend prijsbeleid heeft gevoerd en de gemeenten jarenlang stil hebben gezeten, waardoor rechtsverwerking is ingetreden. De vorderingen die hiermee verband houden, werden afgewezen.
Ten aanzien van de tariefstelling vanaf 1 januari 2006 oordeelde de rechtbank dat UPC niet vrij is om tarieven zelfstandig vast te stellen zonder bemoeienis van de gemeenten. De tekst van artikel 5.1 vereist dat tariefsverhogingen noodzakelijk zijn door kostenontwikkeling en passen binnen een bestendige gedragslijn. De rechtbank interpreteerde dit als een geleidelijke jaarlijkse verhoging binnen contractuele grenzen, waarbij een maximale stijging wordt bepaald aan de hand van voorgaande jaren.
Daarom werd UPC's vordering tot een verklaring voor recht dat zij vrij is het tarief zelf te bepalen afgewezen. De rechtbank gebiedt partijen om binnen twee maanden na het vonnis te goeder trouw te onderhandelen over de tariefsverhogingen vanaf 2006, met een uitvoerbaar bij voorraad verklaard gebod. Proceskosten werden gecompenseerd zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: UPC is niet vrij om vanaf 2006 zelfstandig tarieven te bepalen en partijen worden verplicht te onderhandelen over tariefsverhogingen, overige vorderingen worden afgewezen.