ECLI:NL:RBROT:2007:BA6201
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen dwangbevel en verzoek kwijtschelding belastingschuld afgewezen
De rechtbank Rotterdam behandelde het verzet van eiser tegen dwangbevelen van de ontvanger inzake aanslagen inkomstenbelasting over 1998. Eiser stelde betalingsonmacht en psychische arbeidsongeschiktheid, en verzocht om kwijtschelding van de belastingschuld. De ontvanger wees dit verzoek af op grond van het feit dat eiser beschikte over voldoende middelen na ontvangst van een schadevergoeding en kapitaalverzekeringsuitkeringen, maar deze niet aanwendde voor betaling van de belastingschuld.
De rechtbank stelde vast dat eiser en zijn echtgenote in 1998 hun assurantiekantoor hadden verkocht en dat eiser in 2002 een schadevergoeding van 1,2 miljoen euro ontving, waarvan een substantieel deel aan hem toekwam. Daarnaast ontving hij uitkeringen uit kapitaalverzekeringen. Deze middelen waren niet aangewend voor betaling van de belastingschuld, maar voor andere schuldeisers en kosten.
De rechtbank oordeelde dat eiser geen recht had op kwijtschelding omdat het niet kunnen voldoen van de aanslagen aan hem kon worden toegerekend. Het verzet tegen de dwangbevelen was niet gericht tegen de betekende betekeningskosten, waarvoor eiser niet-ontvankelijk werd verklaard. De vordering van de ontvanger om de schorsende werking van het verzet op te heffen werd afgewezen, omdat het belang van eiser bij schorsing opwoog tegen het belang van de ontvanger bij voortzetting van de executie.
De rechtbank wees de overige vorderingen van eiser af en veroordeelde hem in de proceskosten. De ontvanger werd eveneens in de proceskosten veroordeeld voor het deel aan de zijde van eiser. Het vonnis werd gewezen door mr. S.C.C. Hes-Bakkeren.
Uitkomst: Verzet tegen dwangbevel ongegrond verklaard en verzoek tot kwijtschelding belastingschuld afgewezen