ECLI:NL:RBROT:2007:BA6209
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- E. Mentink
- Rechtspraak.nl
Vordering terugbetaling helft geldlening voor echtelijke woning na echtscheiding
De eiser, schoonvader, heeft in 1977 aan zijn zoon een geldlening verstrekt van ƒ 50.000,-- voor de aankoop van de echtelijke woning. De zoon was destijds gehuwd in gemeenschap van goederen met de gedaagde, de ex-echtgenote. Na de echtscheiding in 2001 is de woning verkocht en de overwaarde verdeeld.
De eiser vordert van de gedaagde de helft van de lening terug, met rente en kosten. De gedaagde voert verjaring aan, stelt dat de lening is afgelost via fiscale schenkingen of is omgezet in een schenking, en betwist haar aansprakelijkheid omdat de lening tussen eiser en zoon is gesloten.
De rechtbank oordeelt dat de verjaringstermijn niet direct na het sluiten van de overeenkomst is gaan lopen vanwege de aard van de lening en de familieband. Ook is de gedaagde hoofdelijk aansprakelijk voor de helft van de lening, omdat de lening is aangewend voor de echtelijke woning binnen de gemeenschap van goederen. Het beroep op rechtsverwerking faalt omdat er geen bijzondere omstandigheden zijn die het terugvorderen onredelijk maken.
De rechtbank draagt de eiser op het bewijs te leveren dat de lening nog bestaat en niet is omgezet in schenking, waarna verdere beslissing volgt. Het vonnis is gewezen door rechter E. Mentink.
Uitkomst: De rechtbank draagt eiser op het bewijs te leveren van zijn vordering op grond van de geldlening jegens gedaagde.