ECLI:NL:RBROT:2007:BA7842
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bewijsopdracht mondelinge geldlening tussen broers en afwijzing beroep op verrekening
De zaak betreft een geschil tussen twee broers over de vraag of een storting van €23.000 op de zakelijke rekening van de onderneming van de gedaagde broer een geldleningsovereenkomst betreft. Eiser stelt dat hij het bedrag als lening heeft verstrekt met een rente van 10,8% en dat gedaagde in gebreke is gebleven met terugbetaling. Gedaagde betwist dit en stelt dat het om een aflossing van een eerdere lening gaat, dan wel beroept hij zich subsidiair op verrekening.
De rechtbank oordeelt dat op eiser de bewijslast rust om het bestaan van de mondelinge leningsovereenkomst aan te tonen. Het beroep van gedaagde op verrekening wordt voorlopig gepasseerd omdat de vordering waarop gedaagde zich beroept niet eenvoudig vast te stellen is en niet is gebleken dat gedaagde bevoegd is tot verrekening. Partijen krijgen de gelegenheid zich nader uit te laten bij conclusie na enquête.
De rechtbank wijst de vordering van eiser toe, onder voorbehoud van het bewijs, en wijst het verweer van gedaagde af. De buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De procedure wordt aangehouden voor het horen van getuigen en verdere bewijslevering.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van eiser toe onder voorbehoud van bewijs en passeert het verrekeningsverweer voorlopig.