ECLI:NL:RBROT:2007:BA9916
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bewijsbeding en aansprakelijkheid bij sealbagfraude tussen bank en cliënt
In deze civiele procedure vordert ABN AMRO dat [X] wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van ruim €119.000,- vermeerderd met rente, wegens onrechtmatige bijschrijvingen op bankrekeningen door vermeende fraude met sealbags. [X] betwist de vorderingen en stelt dat niet hij, maar een derde de sealbags heeft gedeponeerd en dat de bank onterecht de rekeningen heeft gedebiteerd.
De kern van het geschil betreft de vraag of ABN AMRO terecht uitgaat van de juistheid van haar bevindingen bij het openen van sealbags, zoals bepaald in artikel 6 van Pro de sealbagvoorwaarden, een bewijsbeding in de algemene voorwaarden. De rechtbank oordeelt dat dit bewijsbeding niet onredelijk bezwarend is en dat de bevindingen van de bank bindend zijn, behoudens tegenbewijs door [X].
De rechtbank staat [X] toe bewijs te leveren dat de sealbags daadwerkelijk de opgegeven bedragen bevatten. Indien [X] hierin slaagt, wordt de vordering afgewezen; bij gedeeltelijk slagen wordt de vordering deels toegewezen. Daarnaast wordt geoordeeld dat [X] als bestuurder aansprakelijk kan zijn voor het tekort op de rekening van de vennootschap [Y B.V.], maar dat ABN AMRO haar stellingen hierover nader moet onderbouwen.
De procedure wordt aangehouden voor nadere conclusies na tussenvonnis, waarbij ABN AMRO zich nader kan uitlaten over de bewijsvoering en renteberekening. De rechtbank wijst verzoeken tot aanhouding van de procedure wegens lopende strafrechtelijke procedures af en houdt iedere andere beslissing aan.
Uitkomst: De procedure wordt aangehouden voor nadere conclusies na tussenvonnis, waarbij bewijslevering door [X] wordt toegestaan.