ECLI:NL:RBROT:2007:BB0250

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
276543 / HA ZA 07-158
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • L. de Loor-Alwin
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 224 RvAanvullend Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betreffende rechtsgedingen van 17 november 1967
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenzekerheid en toepasselijkheid Brits-Nederlands verdrag in civiele procedure

In deze civiele procedure heeft de rechtbank Rotterdam een incidentele vordering behandeld inzake het stellen van proceskostenzekerheid door twee vennootschappen, Bacardi & Company en Bacardi International. Bacardi International is opgericht naar het recht van Bermuda en valt onder een aanvullend verdrag tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk, dat ook geldt voor Bermuda. Dit verdrag bepaalt dat onderdanen van een verdragsland in het rechtsgebied van de andere verdragsland geen proceskostenzekerheid hoeven te stellen indien de wederpartij onder gelijke omstandigheden dat ook niet hoeft.

De rechtbank oordeelt dat Bacardi International als onderdaan van het Verenigd Koninkrijk (via Bermuda) wordt aangemerkt en daarom is vrijgesteld van proceskostenzekerheid. Bacardi & Company, gevestigd op de Bahama's maar opgericht naar het recht van Liechtenstein, valt niet onder het verdrag en is daarom in beginsel wel verplicht proceskostenzekerheid te stellen. Bacardi & Company heeft aangevoerd dat zij houder is van Benelux-merkrechten waarop beslag gelegd kan worden, zodat verhaal van proceskosten mogelijk is, maar Mevi heeft hier nog niet op gereageerd.

De rechtbank verwijst de zaak naar de rol voor nadere uitlatingen van Mevi en houdt iedere beslissing aan. De vordering tot proceskostenzekerheid jegens Bacardi International wordt afgewezen vanwege de verdragsvrijstelling. De procedure wordt voortgezet met inachtneming van deze overwegingen.

Uitkomst: Proceskostenzekerheid wordt Bacardi International ontheven op grond van verdrag, Bacardi & Company moet zekerheid stellen tenzij Mevi bewijs levert van verhaalbaarheid.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Sector civiel recht
Zaak-/rolnummer: 276543 / HA ZA 07-158
Uitspraak: 20 juni 2007
VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:
1. de rechtspersoon naar het recht van de plaats van vestiging BACARDI & COMPANY LIMITED,
gevestigd in Liechtenstein en kantoorhoudende in Nassau, Bahama’s;
2. de rechtspersoon naar het recht van de plaats van vestiging BACARDI INTERNATIONAL LIMITED,
gevestigd in Hamilton, Bermuda,
eiseressen in de hoofdzaak,
verweersters in het proceskostenzekerheidsincident,
procureur mr. M.A.R.C. Padberg,
advocaat mr. N.W. Mulder en mr. R.E. van Schaik te Amsterdam
- tegen -
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MEVI INTERNATIONAAL EXPEDITIEBEDRIJF,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het proceskostenzekerheidsincident,
procureur mr. T.A. Vermeulen.
Partijen worden hierna aangeduid als respectievelijk “Bacardi & Company”, “Bacardi International” en “Mevi”.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken in het griffiedossier. Het procesverloop blijkt uit die stukken.
1 Het geschil in het proceskostenzekerheidsincident en de beoordeling daarvan
1.1
De incidentele vordering luidt dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, bepaalt dat alvorens verder geprocedeerd wordt in de hoofdzaak, Bacardi & Company en Bacardi International zekerheid dienen te stellen tot een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, met veroordeling van Bacardi & Company en Bacardi International in de kosten van het incident.
1.2
Bacardi & Company en Bacardi International hebben de incidentele vordering gemotiveerd betwist.
1.3
Krachtens artikel 224 lid 1 Rv Pro - weergegeven voor zover hier van belang - zijn allen zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland die bij een Nederlandse rechter een vordering instellen, op vordering van de wederpartij verplicht tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan zij veroordeeld zouden kunnen worden. In lid 2 van dit artikel zijn onder a-d de vier gevallen opgesomd waarin geen verplichting tot het stellen van proceskostenzekerheid bestaat.
1.4
Bacardi & Company en Bacardi International zijn vreemdelingen in de zin van artikel 224 lid 1 Rv Pro en zullen derhalve in beginsel proceskostenzekerheid dienen te stellen.
1.5
Artikel III van het Aanvullend Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betreffende rechtsgedingen van 17 november 1967 (Trb. 1967, 196) luidt als volgt:
“De onderdanen van een der Hoge Verdragsluitende Partijen zijn in de gebieden van de andere Hoge Verdragsluitende Partij niet verplicht zekerheid te stellen voor proceskosten in de gevallen waarin een onderdaan van die Hoge Verdragsluitende Partij daartoe onder gelijke omstandigheden niet gehouden.”
Het verdrag geldt wat Groot-Brittannië betreft mede voor Bermuda (Trb. 1971, 97).
Bacardi International is een onderdaan van (het Verenigd Koninkrijk van) Groot-Brittannië (en Noord-Ierland), nu deze rechtspersoon opgericht is naar het recht van Bermuda. Zie artikel I lid 2 onder c van het verdrag. Nu een Nederlandse eiseres onder gelijke omstandigheden niet tot het stellen van proceskostenzekerheid gehouden zou zijn, betekent het bovenstaande dat Bacardi International evenmin tot het stellen van proceskostenzekerheid is gehouden. Hier is derhalve sprake van het onder a van het tweede lid van artikel 224 Rv Pro genoemde geval, waarin geen verplichting tot het stellen van proceskostenzekerheid bestaat indien dit voortvloeit uit een verdrag. De incidentele vordering, voor zover deze is gericht tegen Bacardi International, ligt dan ook voor afwijzing gereed.
1.6
Er bestaat geen voor Nederland geldende verdrags- of EG-verordeningsbepaling als bedoeld in artikel 224 lid 2 onder Pro a Rv op grond waarvan Bacardi & Company niet kan worden veroordeeld tot het stellen van proceskostenzekerheid. Weliswaar houdt Bacardi & Company kantoor op de Bahama’s, op welk land het hierboven genoemde Brits-Nederlandse verdrag mede betrekking heeft (Trb. 1971, 97; 1981, 62), dat neemt niet weg dat uitsluitend rechtspersonen die zijn opgericht naar het recht van een van de verdragslanden als ‘onderdanen’ in de zin van dit verdrag worden aangemerkt (zie art. I lid 2 onder c), zodat Bacardi & Company, dat is opgericht naar het recht van een derde land, Liechtenstein, geen onderdaan in voornoemde zin is.
1.7
De woonplaats van Bacardi & Company is (mede) gelegen op de Bahama’s, waar zij immers kantoor houdt. Er bestaat geen voor Nederland geldende verdrags- of EG-verordeningsbepaling als bedoeld in artikel 224 lid 2 onder Pro b Rv op grond waarvan een veroordeling tot betaling van proceskosten (een veroordeling tot betaling van schadevergoeding) op de Bahama’s in de onderhavige zaak ten uitvoer zal kunnen worden gelegd. Datzelfde geldt overigens in de verhouding Nederland-Liechtenstein.
1.8
Gesteld noch gebleken is dat door de verplichting tot het stellen van proceskostenzekerheid voor Bacardi & Company de effectieve toegang tot de Nederlandse rechter wordt belemmerd als bedoeld in art. 224 lid 2 onder Pro d Rv.
1.9
Ingevolge artikel 224 lid 2 onder Pro c Rv hoeft geen proceskostenzekerheid te worden gesteld indien redelijkerwijs aannemelijk is dat verhaal voor een veroordeling tot betaling van proceskosten in Nederland mogelijk zal zijn. Bacardi & Company heeft zich op deze bepaling beroepen door aan te voeren dat zij houdster is van talloze Benelux-merkrechten, waarop Mevi beslag zou kunnen leggen tot verhaal van een eventuele proceskostenveroordeling. Mevi heeft nog niet op deze stelling kunnen reageren. De zaak zal dan ook naar de rol worden verwezen voor uitlaten door Mevi.
1.1
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
3 De beslissing
De rechtbank,
in het proceskostenzekerheidsincident
verwijst de zaak naar de rol van 18 juli 2007 voor uitlaten door Mevi bij akte omtrent de stelling van Bacardi & Company dat zij houdster is van talloze Benelux-merkrechten, waarop Mevi beslag zou kunnen leggen tot verhaal van een eventuele proceskostenveroordeling,
in de hoofdzaak
houdt iedere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. de Loor-Alwin.
Uitgesproken in het openbaar.
901/1548