ECLI:NL:RBROT:2007:BB0250
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- L. de Loor-Alwin
- Rechtspraak.nl
Proceskostenzekerheid en toepasselijkheid Brits-Nederlands verdrag in civiele procedure
In deze civiele procedure heeft de rechtbank Rotterdam een incidentele vordering behandeld inzake het stellen van proceskostenzekerheid door twee vennootschappen, Bacardi & Company en Bacardi International. Bacardi International is opgericht naar het recht van Bermuda en valt onder een aanvullend verdrag tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk, dat ook geldt voor Bermuda. Dit verdrag bepaalt dat onderdanen van een verdragsland in het rechtsgebied van de andere verdragsland geen proceskostenzekerheid hoeven te stellen indien de wederpartij onder gelijke omstandigheden dat ook niet hoeft.
De rechtbank oordeelt dat Bacardi International als onderdaan van het Verenigd Koninkrijk (via Bermuda) wordt aangemerkt en daarom is vrijgesteld van proceskostenzekerheid. Bacardi & Company, gevestigd op de Bahama's maar opgericht naar het recht van Liechtenstein, valt niet onder het verdrag en is daarom in beginsel wel verplicht proceskostenzekerheid te stellen. Bacardi & Company heeft aangevoerd dat zij houder is van Benelux-merkrechten waarop beslag gelegd kan worden, zodat verhaal van proceskosten mogelijk is, maar Mevi heeft hier nog niet op gereageerd.
De rechtbank verwijst de zaak naar de rol voor nadere uitlatingen van Mevi en houdt iedere beslissing aan. De vordering tot proceskostenzekerheid jegens Bacardi International wordt afgewezen vanwege de verdragsvrijstelling. De procedure wordt voortgezet met inachtneming van deze overwegingen.
Uitkomst: Proceskostenzekerheid wordt Bacardi International ontheven op grond van verdrag, Bacardi & Company moet zekerheid stellen tenzij Mevi bewijs levert van verhaalbaarheid.