ECLI:NL:RBROT:2007:BB0269
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen vaststelling griffierecht voor vennootschap onder firma gelijkgesteld met natuurlijke persoon
De heer en mevrouw X waren vennoten in een vennootschap onder firma die in 1998 werkzaamheden verrichtte en eind 2000 werd opgeheven. In een procedure werd aan deze vennootschap het maximum vast recht voor niet-natuurlijke personen (€ 4.584) opgelegd, terwijl de verzoeker betoogde dat een lager tarief voor natuurlijke personen (€ 1.100) toepasselijk was vanwege de aard van de vennootschap.
De rechtbank oordeelt dat een vennootschap onder firma waarvan de vennoten echtelieden zijn, maatschappelijk en juridisch gelijkgesteld kan worden aan een eenmanszaak en geen volwaardige rechtspersoon is. Daarom is het vast recht voor natuurlijke personen meer passend. Het verzet tegen het hogere vast recht wordt gegrond verklaard en de griffier wordt opgedragen het teveel betaalde bedrag terug te storten.
Daarnaast is onderzocht of de hoogte van het vast recht de toegang tot de rechter belemmert in strijd met artikel 6 EVRM Pro. De rechtbank stelt dat het recht op toegang tot de rechter niet absoluut is en dat de wetgever een legitiem doel nastreeft met de differentiatie in griffierechten. In dit concrete geval is geen disproportionele belemmering vastgesteld, mede omdat het bedrag is voldaan en bij winst van de procedure wordt vergoed.
De rechtbank concludeert dat het beleid van de griffier om de vennootschap onder firma als rechtspersoon te behandelen niet passend is in dit geval en wijkt daarvan af. Het vast recht wordt vastgesteld op het tarief voor natuurlijke personen, en het teveel betaalde bedrag wordt terugbetaald.
Uitkomst: Het verzet tegen het opgelegde vast recht wordt gegrond verklaard en het teveel betaalde bedrag wordt terugbetaald.