ECLI:NL:RBROT:2007:BB1236
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtmatigheid van kostenverhaal bestuursdwang op rechtsopvolger woning
De zaak betreft een verzet tegen een dwangbevel van de gemeente Rotterdam inzake de invordering van kosten van bestuursdwang voor herstel van achterstallig onderhoud aan een woning. De oorspronkelijke aanschrijving dateert van 30 juli 1998 en was gericht aan de toenmalige eigenaar van de woning, een B.V. De herstelwerkzaamheden zijn in februari 1999 door de gemeente uitgevoerd omdat de eigenaar niet aan de aanschrijving voldeed.
De eiseres, die de woning medio 2000 en definitief in februari 2001 heeft verkregen, werd later geconfronteerd met een dwangbevel tot betaling van een deel van deze kosten. Zij stelde dat zij ten tijde van de aanschrijving slechts huurder was en dat het destijds geldende artikel 26 lid 4 van Pro de Woningwet, dat het verhaal van kosten op rechtsopvolgers mogelijk maakte, toen niet van kracht was. Bovendien stelde zij dat de gemeente de kosten eerst op de eerste rechtsopvolger had moeten verhalen en dat zij op basis van verklaringen van gemeenteambtenaren mocht vertrouwen dat de kosten niet op haar zouden worden verhaald.
De rechtbank oordeelt dat de reparatiewet van 17 februari 1999 het kostenverhaal op rechtsopvolgers herintroduceerde en dat dit artikel ook werkt tegen de eiseres als latere eigenaar. De stelling dat de gemeente eerst op de eerste rechtsopvolger had moeten verhalen, wordt verworpen omdat de aanschrijving aan het object is gekoppeld en niet aan de feitelijke overtreder. De rechtbank draagt de eiseres op bewijs te leveren van haar stelling dat zij op basis van gemeentelijke mededelingen mocht vertrouwen dat de kosten niet op haar zouden worden verhaald. Tot dat bewijs is geleverd, wordt verdere beoordeling aangehouden.
Uitkomst: De rechtbank bepaalt dat de gemeente de kosten van bestuursdwang mag verhalen op de rechtsopvolger, maar draagt eiseres op bewijs te leveren van toezeggingen die dit verhinderen.