ECLI:NL:RBROT:2007:BB3479
Rechtbank Rotterdam
- Kort geding
- De Groot
- Rechtspraak.nl
Toewijzing vordering tot terbeschikkingstelling huishoudelijke goederen na beëindiging geregistreerd partnerschap
Partijen waren gehuwd en zijn later geregistreerd partners geworden, waarna het partnerschap werd ontbonden. De man werd eigenaar van de voormalige echtelijke woning. Na beëindiging van het partnerschap zijn partijen weer gaan samenwonen en kregen een kind. Na een recente relatiebreuk heeft de man de vrouw en het kind tegen hun wil uit de woning verwijderd, waarbij de politie de vrouw op grond van het eigendomsrecht van de man de toegang ontzegde.
De vrouw vorderde in kort geding dat zij toegang krijgt tot de woning en dat de man de huishoudelijke goederen, zoals overeengekomen op een lijst, aan haar ter beschikking stelt. De voorzieningenrechter oordeelde dat de woning bij beëindiging van een duurzame samenwoning gelijk moet worden gesteld aan een echtelijke woning en dat het eigendomsrecht van de man in een crisissituatie niet doorslaggevend is. De vrouw had een groter belang om in de woning te verblijven vanwege het kind en het ontbreken van alternatieve huisvesting.
De man werd veroordeeld de goederen aan de vrouw ter beschikking te stellen en een dwangsom opgelegd voor het geval hij daaraan niet zou voldoen. De vordering tot terugstorting van spaargeld van het kind werd afgewezen omdat de man niet beschikkingsonbevoegd was over deze rekening. De man werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De man wordt veroordeeld de vrouw toegang te verlenen tot de woning en de huishoudelijke goederen ter beschikking te stellen, met oplegging van een dwangsom.