ECLI:NL:RBROT:2007:BB6273
Rechtbank Rotterdam
- Raadkamer
- Asscheman-Versluis
- Van der Laan-Kuijt
- Frankruijter
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring bezwaar tegen tenuitvoerlegging vervangende jeugddetentie in plaats van werkstraf
De veroordeelde werd op 8 november 2005 door de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam veroordeeld tot een werkstraf van 240 uur, met de bepaling dat bij niet-naleving vervangende jeugddetentie van 120 dagen zou worden toegepast. De veroordeelde zat sinds 5 december 2005 in detentie, waardoor het feitelijk onmogelijk was om de werkstraf uit te voeren.
Het Openbaar Ministerie besloot de werkstraf om te zetten in vervangende jeugddetentie en gaf dit op 7 juni 2006 schriftelijk aan de veroordeelde door. De veroordeelde maakte bezwaar tegen deze tenuitvoerlegging, stellende dat hij bereid is de werkstraf te verrichten zodra hij vrij is.
De rechtbank oordeelt dat door de detentie de uitvoering van de werkstraf feitelijk onmogelijk was en dat het niet gerechtvaardigd is dat het Openbaar Ministerie de vervangende jeugddetentie ten uitvoer legt. Het bezwaar wordt gegrond verklaard en het besluit tot tenuitvoerlegging van de vervangende jeugddetentie komt te vervallen. Het verzoek van het OM om de werkstraf te laten vervallen of om te zetten in een schuldigverklaring zonder straf wordt afgewezen wegens gebrek aan wettelijke grondslag.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de tenuitvoerlegging van vervangende jeugddetentie wordt gegrond verklaard en het besluit tot uitvoering komt te vervallen.