ECLI:NL:RBROT:2007:BB7004
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging overeenkomst van opdracht met wederzijds goedvinden en opzegtermijn
HEC en BeCIG sloten een overeenkomst van opdracht waarbij HEC haar directeur [X] beschikbaar stelde als lead engineer voor een tunnelinstallatieproject. Na een fysieke confrontatie op 16 juni 2006 tussen [X] en een medewerker van BeCIG werd de werksituatie onhoudbaar. BeCIG stelde dat de overeenkomst met wederzijds goedvinden per 23 juni 2006 was beëindigd. HEC factureerde echter een maand opzegtermijn en vorderde betaling hiervan.
De rechtbank stelt vast dat partijen een opzegtermijn van één maand zijn overeengekomen, maar dat HEC akkoord ging met de beëindiging per 23 juni 2006 zonder restricties. BeCIG heeft de bewijslast voor de beëindiging met wederzijds goedvinden. De rechtbank acht deze stelling voorshands bewezen, maar geeft HEC de mogelijkheid tegenbewijs te leveren.
Indien HEC slaagt in het tegenbewijs, zal de rechtbank beoordelen of er sprake is van een dringende reden die het niet naleven van de opzegtermijn rechtvaardigt. De rechtbank houdt verdere beslissing aan en bepaalt dat getuigen zullen worden gehoord om het bewijs te leveren. De zaak wordt aangehouden in afwachting van nadere bewijslevering.
Uitkomst: De rechtbank houdt verdere beslissing aan en stelt HEC in de gelegenheid tegenbewijs te leveren over de beëindiging van de overeenkomst met wederzijds goedvinden per 23 juni 2006.