ECLI:NL:RBROT:2007:BB7429
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- L. de Loor-Alwin
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen exequatur van Duits vonnis wegens niet-identieke partijen in vervoer- en schadezaak
In deze civiele zaak gaat het om een verzet tegen het in Nederland ten uitvoer leggen van een Duits vonnis (exequatur) dat voortvloeit uit een geschil over diefstal van een zending tijdens vervoer van Rotterdam naar Duitsland.
De zaak betreft meerdere procedures: een Hamburgse procedure tussen Gerling en Zeuner, een Rotterdamse procedure tussen Kuijken en K-Line e.a., en een Düsseldorfse procedure tussen Zeuner en Kuijken. KLG, rechtsopvolger van Kuijken, verzet zich tegen het exequatur van het Düsseldorfse vonnis omdat volgens haar de Rotterdamse procedure reeds liep toen de Düsseldorfse procedure werd gestart, wat litispendentie oplevert.
De rechtbank beoordeelt of in beide procedures sprake is van 'dezelfde partijen' in de zin van artikel 34 EEX Pro-Verordening en artikel 31 CMR Pro. De rechtbank oordeelt dat hoewel KLG en haar rechtsvoorganger partij zijn in beide procedures, K-Line en Zeuner niet als dezelfde partij kunnen worden beschouwd omdat hun belangen niet identiek en onlosmakelijk verbonden zijn. Dit leidt tot de conclusie dat het verzet ongegrond is en het exequatur kan worden verleend.
De rechtbank veroordeelt KLG in de proceskosten en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het verzet tegen de exequatur wordt ongegrond verklaard omdat niet is voldaan aan het vereiste van dezelfde partijen in beide procedures.