ECLI:NL:RBROT:2007:BB8781
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen boetes wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen
De zaak betreft verzoeken om voorlopige voorzieningen tegen boetes die zijn opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (WAV). De boetes zijn opgelegd aan Scheepvaart Maatschappij “Europa” en haar rechtsopvolger, verzoekster, vanwege het tewerkstellen van vreemdelingen zonder de vereiste tewerkstellingsvergunning aan boord van passagiersschepen.
Verzoekster stelde dat de boetes onterecht zijn omdat de betrokken vreemdelingen onder de grensoverschrijdende dienstverlening vielen en dat sinds 1 mei 2007 geen tewerkstellingsvergunning meer vereist is voor werknemers uit bepaalde Midden- en Oost-Europese landen. Tevens voerde zij aan dat de boetes verminderd hadden moeten worden vanwege de versnelde vergunningprocedure en dat de verklaringen van vreemdelingen onjuist waren vertaald.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het vervallen van de vergunningplicht per 1 mei 2007 niet leidt tot een gunstigere wetswijziging voor verzoekster, omdat het inzicht in de strafwaardigheid van het tewerkstellen zonder vergunning niet is gewijzigd. Verder is vastgesteld dat geen sprake was van grensoverschrijdende dienstverlening, maar van inleenarbeid onder leiding van de Nederlandse hotelmanager. Ook is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de betaling van de boetes de continuïteit van de onderneming bedreigt. Daarom is het spoedeisend belang niet bewezen en worden de verzoeken afgewezen.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening tegen boetes wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen wordt afgewezen wegens ontbreken spoedeisend belang en gegrondheid boetes.