ECLI:NL:RBROT:2007:BC1208
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Levering erfpachtrecht met bodemverontreiniging en exoneratiebeding
De zaak betreft een geschil tussen eiser en gedaagde over de levering van een recht van erfpacht op een perceel grond waarop bodemverontreiniging is vastgesteld. Eiser stelt dat gedaagde aansprakelijk is wegens levering van verontreinigde grond en beroept zich primair op non-conformiteit, subsidiair op onrechtmatige daad en dwaling.
Gedaagde voert verweer dat eiser niet tijdig heeft geklaagd over de verontreiniging zoals vereist in artikel 7:23 lid 1 BW Pro, en beroept zich op een exoneratiebeding in de leveringsakte dat geen vrijwaring verleent voor zichtbare en verborgen gebreken. Eiser betwist het niet tijdig klagen en stelt dat hij pas in 2004 kennis kreeg van het DCMR-rapport uit 2003.
De rechtbank oordeelt dat eiser nog gelegenheid moet krijgen te reageren op het verweer van gedaagde omtrent het niet tijdig klagen en het niet tijdig verrichten van onderzoek. Tevens zal nader worden beoordeeld wat de betekenis is van het exoneratiebeding in de leveringsakte uit 1980 voor de vraag of sprake is van non-conformiteit.
De zaak wordt verwezen naar de rol voor nadere conclusies na tussenvonnis. Tot die tijd wordt verdere beslissing aangehouden. Het vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans.
Uitkomst: De zaak is aangehouden voor nadere conclusies over tijdigheid klacht en de betekenis van het exoneratiebeding.