http://zoekensechtspraak.nl/resultpage.aspx?snelzoeken=true&searchtype=kenmerken... 26-5-2011
pagina 3 van 4
het geval van verzoekster sprake is geweest van een inbreuk op haar huisrecht als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM.
In bepaalde omstandigheden kan een dergelijke inbreuk op het huisrecht gerechtvaardigd zijn. Hierbij dient te worden beoordeeld of het noodzakelijk is om tegen de wil van de belanghebbende een huisbezoek af te leggen en of dat huisbezoek proportioneel is.
Zoals zojuist is overwogen is er, afgezien van de anonieme tip, op grond van objectieve feiten en omstandigheden geen noodzaak gebleken voor het afleggen van een huisbezoek. In de uitspraak van
2 oktober 2007, UN BB5534 heeft de Centrale Raad van Beroep overwogen dat een anonieme tip over de woon- en leefsituatie van een bijstandsaanvrager of ontvanger als zodanig geen redelijke grond vormt voor het afleggen van een huisbezoek.
Tevens is niet gebleken dat verweerder heeft bezien of gebruik kan worden gemaakt van voor verzoekster minder ingrijpende onderzoeksmiddelen dan een huisbezoek. Het feit dat, zo blijkt uit het rapport van 23 augustus 2007, in de periode van 17 juli 2007 tot en met 18 juli 2007 op diverse tijdstippen is gecontroleerd acht de rechtbank onvoldoende, met name nu bij deze controles aanwezigheid van een manspersoon niet is gebleken'.
Nu in het geval van verzoekster sprake is van een niet gerechtvaardigde inbreuk op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer luidt het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat de tijdens het huisbezoek aan het licht gekomen gegevens moeten worden bestempeld als onrechtmatig verkregen bewijs, zodat deze gegevens buiten beschouwing moeten worden gelaten. Ander bewijs op grond waarvan zou moeten worden geconcludeerd dat verzoekster haar inlichtingenplicht heeft geschonden is niet aangevoerd. Dit betekent dat het besluit van 4 september 2007 naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter op een onvoldoende draagkrachtige motivering berust.
Uit het voorgaande volgt dat in bezwaar het bestreden besluit naar verwachting niet in stand zal blijven, zodat er een aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening, in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst hetgeen betekent dat verzoeksters recht op een uitkering ingevolge de WWB herleeft en verweerder tot uitbetaling daarvan zal dienen over te gaan.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, van de Awb te bepalen dat het door verzoekster betaalde griffierecht door verweerder wordt vergoed.
Tevens ziet de voorzieningenrechter aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De voorzieningenrechter bepaalt de proceskosten op € 644,-- aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
3 Beslissing
De voorzieningenrechter,
recht doende:
wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe, in die zin dat het besluit van verweerder van 4 september 2007 wordt geschorst tot en met zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar aan verzoekster,
bepaalt dat de gemeente Barendrecht aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht van € 39,00, vergoedt,
veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 644,-- en wijst de ge—imeen—Ite Barendrecht aan als de rechtspersoon die deze kosten aan verzoekster moet vergoeden.
Aldus gedaan door mr. P. van Zwieten, voorzieningenrechter, en door deze en mr. E.G.M. Jenniskens, griffier, ondertekend.
De griffier: De voorzieningenrechter: