ECLI:NL:RBROT:2008:BC4137
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens ontbreken verblijfstitel met terugwerkende kracht in strijd met rechtszekerheidsbeginsel
Eiser ontving een bijstandsuitkering op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb), welke per 31 mei 2006 werd ingetrokken wegens het ontbreken van een geldige verblijfstitel. Verweerder stelde dat eiser niet langer rechtmatig in Nederland verbleef en daardoor niet tot de kring van Wwb-rechthebbenden behoorde. Eiser voerde aan dat hij viel onder het 'Project Terugkeer 26.000' en dat het stopzetten van de uitkering onrechtmatige hardheid betekende.
De rechtbank stelde vast dat eiser sinds 18 maart 2005 als uitgeprocedeerde asielzoeker zonder verblijfstitel geregistreerd stond, maar dat hij in afwachting was van een beslissing op een nieuwe aanvraag. Op grond van artikel 8, onderdeel f, van de Vreemdelingenwet 2000 verbleef hij rechtmatig in Nederland, maar viel hij niet binnen de categorieën die recht geven op bijstand volgens artikel 11 van Pro de Wwb. Het beroep op artikel 16 Wwb Pro werd eveneens verworpen.
De intrekking van de uitkering per 31 mei 2006 was daarom terecht, maar de rechtbank oordeelde dat de terugwerkende kracht van deze intrekking in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel, omdat eiser niet redelijkerwijs kon begrijpen dat hij vanaf die datum geen recht meer had op bijstand. De intrekking kon pas met ingang van 7 juli 2006 worden doorgevoerd. Het bestreden besluit werd vernietigd en het primaire besluit herroepen. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De bijstandsuitkering wordt terecht ingetrokken per 7 juli 2006, maar niet met terugwerkende kracht vanaf 31 mei 2006.