ECLI:NL:RBROT:2008:BC4366
Rechtbank Rotterdam
- Kort geding
- W.F. Lubberink
- Rechtspraak.nl
Kort geding over opheffing en schorsing van relatiebeding na indiensttreding bij concurrent
Twee werknemers, voorheen in dienst bij Oosterberg, zijn per 1 december 2007 in dienst getreden bij Conelgro, een concurrent. Oosterberg stelt dat dit een overtreding is van het relatiebeding in hun arbeidsovereenkomst, dat zakelijke contacten met relaties van Oosterberg verbiedt gedurende twaalf maanden na beëindiging van het dienstverband.
De werknemers vorderen in kort geding de schorsing of opheffing van het relatiebeding, stellende dat het beding onredelijk bezwarend is omdat het hen belemmert binnen hun vakgebied een gelijkwaardige werkkring te vinden. Oosterberg vordert in reconventie een verbod op werkzaamheden bij Conelgro en betaling van boetes wegens overtreding.
De rechtbank oordeelt dat onvoldoende aannemelijk is dat Conelgro geen relatie is van Oosterberg, mede gelet op zakelijke transacties tussen partijen. Het relatiebeding geldt derhalve ook voor indiensttreding bij Conelgro. De belangenafweging leidt tot afwijzing van de vorderingen van de werknemers, omdat het belang van Oosterberg bij handhaving van het beding zwaarder weegt dan het belang van de werknemers.
De reconventionele vordering van Oosterberg wordt eveneens afgewezen, omdat het indiensttreden bij een relatie niet automatisch onder het relatiebeding valt als het gaat om het verrichten van werkzaamheden in dienstverband. De proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van beide partijen af en compenseert de proceskosten.