ECLI:NL:RBROT:2008:BC9387
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Van Zelm van Eldik
- Rechtspraak.nl
Kostenveroordeling van derde-betrokkene na cessie en liquidatie van eiseres
In deze civiele zaak stond centraal de kostenveroordeling nadat Southern Reclamation haar vorderingsrecht had gecedeerd aan een derde zonder last en volmacht om de vordering in eigen naam te innen. Southern Reclamation was vervolgens geliquideerd en ontbonden, waardoor zij niet langer bevoegd was de vordering te doen gelden. De rechtbank oordeelde eerder dat de vordering niet aan Southern Reclamation kon worden toegewezen en ontzegde deze.
Het geschil betrof de proceskosten die door de wederpartij waren gemaakt. De wederpartij stelde dat de derde-betrokkene, die Southern Reclamation had geïnstrueerd, bewust onjuiste informatie had verstrekt, waardoor zij jarenlang tegen een niet-bestaande procespartij moesten procederen zonder verhaal voor gemaakte kosten.
De rechtbank stelde vast dat deze derde-betrokkene onvoldoende openheid van zaken had gegeven over de cessie en liquidatie, ondanks dat hij werd bijgestaan door een Nederlandse advocaat. Hierdoor werd onnodig voortgeprocedeerd op naam van Southern Reclamation, wat tot ontzegging van de vordering leidde.
Gezien deze bijzondere omstandigheden veroordeelde de rechtbank de derde-betrokkene persoonlijk in de proceskosten vanaf 30 april 2000, terwijl de kosten tot die datum voor rekening van Southern Reclamation kwamen. De kostenveroordeling betreft een forfaitair tarief en wettelijke rente wordt toegepast vanaf 14 dagen na betekening.
Uitkomst: Derde-betrokkene wordt persoonlijk veroordeeld in proceskosten vanaf 30 april 2000 wegens onvoldoende openheid van zaken na cessie en liquidatie van eiseres.